Skip to main content
Skip to main content Hulpmiddelen Woordenlijst

Hulpmiddelen

Belangrijkste gereedschappen

  • Wat wordt er van bedrijven verwacht?
  • Hoe aan de verwachtingen voldoen?
  • Verhaalmechanismen
  • Woordenlijst

Main navigation

Toolbox Logo
  • Toolbox Logo
  • Startpagina
  • Over
  • Woordenlijst
  • Test
  • Zoeken
    • EN
    • |
    • NL
    • |
    • FR
News icon

Verhaalmechanismen

News banner
Klachten- en verantwoordingsmechanismen Toegang tot de rechter en deugdelijke rechtsmiddelen - Staatsgebaseerde mechanismen

Toegang tot de rechter en deugdelijke rechtsmiddelen - Staatsgebaseerde mechanismen

Intro Nationale gerechtelijke mechanismen Nationale niet-gerechtelijke mechanismen Internationale mechanismen Hoe aan de verwachtingen voldoen?
Toegang tot rechtsmiddelen is de derde pijler van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's). Het primaire doel is om ervoor te zorgen dat individuen en gemeenschappen die nadelige gevolgen hebben ondervonden of dreigen te ondervinden van bedrijfsactiviteiten, toegang hebben tot effectieve mechanismen om vergoedingen en gerechtigheid te zoeken via eerlijke, transparante en efficiënte processen. Wanneer klachtenmechanismen (klachtenmechanismen op operationeel niveau (OLGM's), bemiddelings- of verantwoordingsmechanismen) ontoereikend zijn om mensenrechten en milieubescherming te garanderen, moeten de door de staat geboden verhaalmechanismen klachten over ernstige mensenrechtenschendingen aanpakken, omdat de staat de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor het bevorderen, beschermen en naleven van mensenrechten binnen haar rechtsbevoegdheid. Staten moeten ook garanderen dat wanneer grensoverschrijdende en transnationale zaken zich aandienen, jurisdictionele of juridische complexiteiten de toegang tot rechtsmiddelen niet belemmeren.
Wat is toegang tot de rechter en tot een effectief rechtsmiddel?

Toegang tot de rechter is een mensenrecht dat ervoor moet zorgen dat individuen effectieve rechtsmiddelen kunnen zoeken en krijgen wanneer hun rechten worden geschonden, door middel van transparante, onafhankelijke en onpartijdige juridische procedures. Staten hebben de plicht om toegang tot de rechter te garanderen om verantwoordingsplicht te handhaven, sociale cohesie te bevorderen en vreedzame samenlevingen te stimuleren. Op landenniveau moeten bedrijven de mensenrechten respecteren, inclusief toegang tot de rechter waar ze ook actief zijn. Op die manier voorkomen ze dat geschillen escaleren, verbeteren ze hun vergunning om als bedrijf te opereren, stemmen ze hun praktijken af op wereldwijde standaarden voor verantwoord ondernemen, verminderen ze de risico's op rechtszaken en reputatieschade en bouwen ze aan het vertrouwen van belanghebbenden. Daarnaast worden bedrijven aangemoedigd om hun OLGM's af te stemmen op internationale standaarden, door ervoor te zorgen dat ze beschikbaar zijn en dat ze niet interfereren met de door de staat geboden verhaalmechanismen wanneer rechthebbenden om steun moeten vragen.

Normatieve gronden

Toegang tot de rechter is verankerd in het internationaal recht, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (artikel 8) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (artikel 2). Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 6, 13, 35 en 46), het Handvest van de grondrechten van de EU (artikel 47, 51 en 52.3) en het VEU (artikel 4 en 19) erkennen het recht op toegang tot de rechter. Voor milieuaangelegenheden voorzien het Verdrag van Aarhus, de overeenkomstige EU-Verordening 1367/2006, Verordening (EU) 2021/1767 en de Seveso III-richtlijn (2012/18/EU) in toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden, bijvoorbeeld bij zware ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De UNGP's (Principes 27 en 31) beschrijven de criteria voor de doeltreffendheid van niet-gerechtelijke mechanismen, die voornamelijk via administratieve maatregelen worden verstrekt. Deze mechanismen vormen een aanvulling op gerechtelijke systemen en kunnen snellere, toegankelijkere en minder conflictueuze manieren bieden om klachten op te lossen. Op zijn beurt roept Principe 26 staten op om juridische, praktische en andere belemmeringen voor het gebruik van gerechtelijke mechanismen weg te nemen om te voorkomen dat de toegang tot een rechtsmiddel wordt ontzegd. Aanvullende criteria om deze mechanismen te evalueren zijn integriteit, het vermogen om een eerlijke rechtsgang toe te staan en de beschikbaarheid van onpartijdige, onafhankelijke (d.w.z. vrij van economische of politieke druk) en niet-corrupte rechtbanken. In het recht van de Raad van Europa (RvE) en het EU-recht zijn ook criteria vastgelegd om de doeltreffendheid van gerechtelijke mechanismen voor toegang tot de rechter te evalueren (zie Handboek betreffende de toegang tot het recht, 2016):

  • De gerechtelijke instanties moeten de bevoegdheid hebben om bindende beslissingen te nemen
  • Hun bevoegdheden en procedures moeten vooraf door de wet worden bepaald
  • Ze moeten permanente rechtsbevoegdheid hebben en een inter-partes procedure bevatten die een eerlijk proces mogelijk maakt.

Essentiële documenten:

Op VN-niveau bieden vier documenten, ontwikkeld door het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR), richtlijnen voor de derde pijler van UNGP's:

  • UN Access to Remedy in Cases of Business-Related Human Rights Abuse: A Practical Guide for State-Based Non-Judicial Mechanisms (OHCHR Practical Guide, 2024)
  • The UN Access to Remedy in Case of Business-related Human Rights abuse- An Interpretive Guide (2024), from the UN Office of the High Commissioner for Human Rights.
  • Access to Remedy in Cases of Business-Related Human Rights Abuse: A Practical Guide for State-Based Judicial Mechanisms, 2024.

Andere belangrijke documenten over toegang tot de rechter en rechtsmiddelen zijn:

  • RvE-aanbeveling CM/Rec(2016)3 van het Comité van Ministers aan lidstaten (LS) inzake mensenrechten en bedrijfsleven
  • Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumstandaarden voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten
  • De documenten van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) over toegang tot rechtsmiddelen in het kader van verantwoord ondernemen
Relevantie van toegang tot de rechter

Toegang tot de rechter (en tot een deugdelijk rechtsmiddel) is essentieel voor het handhaven van mensenrechten in een bedrijfscontext, omdat het individuen en gemeenschappen die schade hebben ondervonden van bedrijfsactiviteiten de mogelijkheid biedt om een vergoeding en verantwoording te krijgen. Begrijpen dat toegang tot de rechter als zodanig een mensenrecht is, is belangrijk wanneer bedrijven risico's en gevolgen beoordelen. Betrokkenheid bij degelijke en preventieve OLGM's is een essentiële stap om rechthebbenden en belanghebbenden te beschermen. Van bedrijven wordt echter ook verwacht dat ze proactief gebruik maken van verhaalmechanismen van de overheid om ernstigere schade voor gemeenschappen en rechthebbenden te voorkomen. Bedrijven die zich constructief opstellen tegenover dergelijke mechanismen tonen hun inzet voor mensenrechten en verminderen het risico op langdurige geschillen, rechtszaken en reputatieschade. Als bedrijven de internationale standaarden op het gebied van mensenrechten en milieu begrijpen en naleven, kunnen ze risico's effectiever beheren, verantwoordelijk gedrag vertonen en vertrouwen opbouwen bij rechthebbenden, belanghebbenden, investeerders en regulatoren.

Hoewel het de fundamentele plicht van de staat is om voor deze mechanismen te zorgen, moeten bedrijven er ook van op de hoogte zijn om obstakels uit de weg te ruimen en bij te dragen aan het verkrijgen van rechtsmiddelen voor degenen die door hun activiteiten worden getroffen. Op die manier werken ze mee aan het herstel- of restitutieproces in plaats van het te hinderen. Deze houding is essentieel om tot een oplossing te komen die ten goede komt aan de getroffenen, een minimale impact heeft op de bedrijfsvoering en uiteindelijk vreedzame en duurzame samenlevingen bevordert.

Het landschap van rechtsmiddelen verandert, met grotere verwachtingen dat bedrijven rechtsmiddelen zullen bieden voor schade die ze hebben veroorzaakt en waar ze aan hebben bijgedragen, zelfs als die schade in een ver verleden ligt. Belanghebbenden dringen er steeds vaker op aan dat bedrijven de gevolgen van problemen uit het verleden verhelpen en effectieve rechtsmiddelen bieden. BSR, augustus 2021

Toegang tot een rechtsmiddel betekent het bereiken van een resultaat (substantieel rechtsmiddel) dat degenen die getroffen zijn door bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen tevreden stelt, door door de staat geboden mechanismen in werking te stellen. Zie instrument 9. De volgende delen beschrijven door de staat geboden mechanismen in België die rechthebbenden en belanghebbenden kunnen gebruiken, en de belangrijkste internationale mechanismen die in werking kunnen worden gesteld wanneer nationale rechtsmiddelen ontoereikend zijn of uitgeput zijn zonder dat een effectief rechtsmiddel is bereikt.

Door de staat geboden gerechtelijke mechanismen

Nationale gerechtelijke mechanismen

Wanneer rechthebbenden of belanghebbenden met een aantoonbaar belang bij de vordering via administratieve mechanismen geen effectief rechtsmiddel kunnen verkrijgen, kunnen ze bedrijven of de staat aanklagen wanneer deze naar verluidt de schending van mensenrechten of milieuschade hebben veroorzaakt of eraan hebben bijgedragen. Gerechtelijke mechanismen kunnen gericht zijn tegen bedrijven voor acties of verzuimen, of tegen de staat wanneer die optreedt als economische actor (bijv. in openbare aanbestedingsprocessen of exportsubsidies). Sommige rechtsvorderingen kunnen uitsluitend worden ingesteld tegen de staat in zijn hoedanigheid van regelgevende instantie of controleur (d.w.z. de uitoefening van staatsgezag, of acta iure imperii), zoals rechterlijke toetsing van wetten of administratieve besluiten. Ze kunnen ook resulteren in effectieve rechtsmiddelen wanneer deze handelingen een wettelijke basis vormen voor zakelijk gedrag dat mogelijk mensenrechten schendt.

De eerste stap is het identificeren van de bevoegde rechtbank die de zaak kan behandelen, d.w.z. de rechtbank met materiële en territoriale bevoegdheid (Gerechtelijk Wetboek, art. 624).

Materiële bevoegdheid

De aard van de vordering en de waarde ervan bepalen welke rechtbank bevoegd is. De rechtbank van eerste aanleg heeft 'volledige rechtsbevoegdheid', d.w.z. ze kan alle zaken behandelen, met inbegrip van de zaken die voor andere rechtbanken kunnen worden gebracht (met uitzondering van zaken die onder de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Beroep en het Hof van Cassatie vallen) (Gerechtelijk Wetboek, art. 568). Vier criteria bepalen de materiële bevoegdheid:

  • Als dit onderwerp onder de bevoegdheid van een specifieke rechtbank valt;
  • De waarde van de vordering (zie Gerechtelijk Wetboek, art. 557-562);
  • De dringende aard van de vordering (dwangmiddel);
  • De status van de partijen: De rechtbank van koophandel heeft een algemene bevoegdheid om zaken te behandelen als beide partijen bedrijven zijn of ten minste de gedaagde partij is (Gerechtelijk Wetboek, art. 573).

Territoriale bevoegdheid

Over het algemeen zijn eisers vrij om een rechtbank te kiezen, maar de meest voorkomende keuze is de rechtbank van de woonplaats van de verweerder. Dit zijn de opties (Gerechtelijk Wetboek; art. 624):

  • De rechtbank van de woonplaats van de klager. Voor een bedrijf: de plaats waar het hoofdkantoor is gevestigd of waar het zijn administratieve zetel heeft.
  • De rechtbank die bevoegd is voor de plaats waar de verbintenissen of het geschil zijn ontstaan.
  • Voor contracten, de rechtbank waar de verbintenissen werden uitgevoerd (of uitgevoerd hadden moeten worden), tenzij een andere plaats werd gekozen door de partijen.
  • Voor verweerders die niet in België gedomicilieerd zijn, de plaats waar de deurwaarder hem/haar heeft aangetroffen.

De uitzonderingen op het principe van keuzevrijheid zijn vastgelegd in het Gerechtelijk Wetboek (art. 627-629quater). Bijvoorbeeld exclusieve territoriale bevoegdheden (Gerechtelijk Wetboek, art. 632-633decies) zoals beslagprocedures (Gerechtelijk Wetboek, art. 633), of verschillende economische procedures (Wetboek van economisch recht art. XX.12) en Gerechtelijk Wetboek (art. 632, 605bis-kwartier, 633bis-quinquies).

Rechtsbevoegdheid in grensoverschrijdende zaken

Moedermaatschappijen kunnen aansprakelijk worden gesteld (secundaire aansprakelijkheid) voor mensenrechtenschendingen begaan door hun dochterondernemingen en/of partners (primaire aansprakelijkheid) in derde landen. Voor grensoverschrijdende zaken kunnen de regels inzake rechtsbevoegdheid en toepasselijk recht een alternatief bieden aan slachtoffers wanneer zij geen bedrijf kunnen aanklagen in de staat waar de schade zich heeft voorgedaan, of wanneer er geen rechtsmiddel mogelijk is. Onder bepaalde voorwaarden kunnen Belgische rechtbanken bevoegd zijn om kennis te nemen van klachten over mensenrechtenschendingen door Belgische bedrijven in derde landen, wanneer de gevolgen zich in het buitenland hebben voorgedaan of wanneer de slachtoffers of verweerders buitenlanders zijn. Enkele aandachtspunten zijn:

  • De EU-verordening Brussel Ibis definieert bevoegde rechtbanken en regelt de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, waaronder arbeids- en consumentenvorderingen. Voor zaken waarbij niet-EU-lidstaten betrokken zijn, kunnen andere internationale verdragen van toepassing zijn, zoals het Verdrag van Lugano (tussen de EU, IJsland, Noorwegen en Zwitserland), de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht of andere gerelateerde verdragen. Als geen van deze overeenkomsten van toepassing is, geldt het Belgisch Wetboek van internationaal privaatrecht.
  • Als de verweerder niet in de EU is gevestigd, kunnen rechtbanken van lidstaten zaken tegen moedermaatschappijen accepteren, maar het HvJEU heeft hiervoor drie voorwaarden opgesteld:
    • de eiser mag niet als enige doel hebben "de zaak van de buitenlandse dochteronderneming onder de Europese rechtsbevoegdheid te brengen";
    • "een eerdere relatie tussen de verweerders" moet worden aangetoond; en
    • voor exclusieve distributieovereenkomst.
  • De forum non conveniens doctrine wordt niet aanvaard door het HvJEU. Deze doctrine staat rechtbanken toe om zaken af te wijzen wanneer een andere jurisdictie "beter uitkomt" voor de partijen, zonder rekening te houden met het gebrek aan mogelijkheden om een rechtsmiddel te verkrijgen (bijv. door een gebrek aan institutionele capaciteit of de veiligheid van slachtoffers).
  • De forum necessitatis doctrine is in België van toepassing om gevallen van rechtsweigering te voorkomen, wanneer:
    • de eiser niet kan procederen in een ander land; of
    • de bevoegde buitenlandse rechtbank geen eerlijk proces garandeert, zoals in geval van oorlog, discriminatie of buitensporige kosten die de toegang tot de rechter belemmeren; of
    • het onmogelijk is om het vonnis ten uitvoer te leggen.

De keuze van het toepasselijke recht is vooral relevant wanneer het recht inzake onrechtmatige daad van een derde land niet zo gunstig is als het Belgische recht inzake onrechtmatige daad. Dit wordt geregeld door:

  • Rome I Verordening voor contractuele geschillen (bijv. arbeids- of consumentencontracten). Er gelden enkele uitzonderingen:
    • Alle banden met de zaak bevinden zich in een ander land dan dat van het gekozen recht of het dwingende recht van dat land waar alle aanknopingspunten van kracht blijven.
    • Alle banden bevinden zich in de EU, maar er wordt gekozen voor het recht van een derde land (niet-afwijkende regels van het EU-recht blijven van kracht).
  • Rome II Verordening voor gevallen van onrechtmatige daad is van toepassing wanneer er geen contract bestond tussen de slachtoffers en het bedrijf (behalve voor sommige gevallen van arbeids- en consumentenbescherming).
Tijdelijke verlichting

Kort geding voor spoedeisende voorlopige voorzieningen

Rechtbanken van eerste aanleg, de handelsrechtbank en arbeidsrechtbanken kunnen in dringende gevallen een versnelde procedure voeren om voorlopige bevelen uit te vaardigen in zaken die onder hun bevoegdheid vallen (Gerechtelijk Wetboek, art. 584-589).

Resultaat: Deze procedures hebben voornamelijk een preventief karakter en kunnen effectief zijn in gevallen van lopende of dreigende bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen. Deze mechanismen kunnen ook worden gebruikt wanneer dat nodig is om relevant bewijs te verzamelen (inclusief beoordeling van de schade en de oorzaken ervan) en om de rechten te beschermen van personen die niet in staat zijn om zichzelf te verdedigen.

Dwangmiddel

Wanneer een vordering in kort geding niet kan worden ingesteld wegens een gebrek aan urgentie, kunnen verbodsvorderingen dienen om een bevel te verkrijgen om een einde te maken aan bedreigingen en/of schade als gevolg van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen. Deze procedure kan worden gebruikt tegen discriminerende handelingen, overtredingen van sociale wetgeving, bedreigingen van consumenten, oneerlijke praktijken tegen bedrijven, milieuschade en schendingen van gegevensverwerking. Soms kan een dwangmiddel ook worden gevraagd als collectieve vergoeding. Om deze vorderingen te kunnen gebruiken, moet de rechthebbende of de belanghebbende aantonen dat de handeling illegaal is en dat hij er belang bij heeft om deze te stoppen. Sommige bevelen kunnen alleen door specifieke eisers worden ingesteld. Administratieve autoriteiten kunnen een gerechtelijk bevel instellen als de schending van mensenrechten binnen hun bevoegdheid valt.

Resultaat: Injunctieve vorderingen bieden tijdelijke verlichting, maar zonder het probleem definitief op te lossen, een sanctie op te leggen of schadeloosstelling te eisen.

Rechtbanken van eerste aanleg

Het Gerechtelijk Wetboek (Deel IV - Boek II) regelt hoe gerechtelijke acties anders dan strafrechtelijke of administratieve acties moeten worden ingediend: wie procesbevoegdheid heeft, wanneer rechthebbenden of belanghebbenden persoonlijk mogen verschijnen en wanneer vertegenwoordiging door een advocaat noodzakelijk is. In het algemeen moet de eiser in staat zijn om de rechtsvordering in te stellen en er een wettelijk belang bij hebben. Het bestaande belang moet concreet zijn, hoewel het mogelijk is om vorderingen toe te laten die bedoeld zijn om ernstige schendingen van rechten te voorkomen. Als belanghebbenden een dergelijk belang kunnen aantonen, kunnen ze beroepsrecht hebben.

Verzoening is een manier om gerechtelijke procedures die al voor een rechter zijn begonnen, onder bepaalde voorwaarden af te ronden:

  • De eiser kan het geschil op vertrouwelijke wijze beslechten (Gerechtelijk Wetboek, art. 731/1-732).
  • Over rechten waarover niet onderhandeld kan worden, kan geen bemiddeling plaatsvinden.
  • Verzoening heeft hetzelfde bindende karakter als een vonnis en is verplicht in arbeidszaken (Gerechtelijk Wetboek, art. 734).

Resultaat: Het rechtsmiddel kan een schadeloosstelling zijn of een einde aan het misbruik.

Civiele rechtbanken

Geschillen over onrechtmatige daad zijn de meest prominente gerechtelijke weg voor slachtoffers om schadeloosstelling te krijgen van bedrijven en/of de staat in onrechtmatige daadszaken, wanneer de schending van mensenrechten plaatsvindt buiten een contractuele relatie. Drie voorwaarden zijn essentieel om rechtbanken in te schakelen:

  • Fout (Burgerlijk Wetboek, art. 6.6) Dit kan een handeling of een nalaten zijn die resulteert in een schending van een wettelijke regel die bepaald gedrag oplegt of verbiedt, of van de algemene zorgvuldigheidsstandaard die van toepassing is op sociale interacties.
  • Schade omvat de economische en niet-economische gevolgen van de schending van een wettelijk beschermd persoonlijk belang (Burgerlijk Wetboek, art. 6.24, 6.26)).
  • Causaal verband tussen de twee (Burgerlijk Wetboek, art. 6.18). Als niet duidelijk is hoe waarschijnlijk het is dat de schade zich buiten schuld zal voordoen, of als meerdere partijen aansprakelijk kunnen zijn voor dezelfde schade, kan een proportionele aansprakelijkheid met gedeeltelijke schadeloosstelling worden erkend. Zie de mate van waarschijnlijkheid van het oorzakelijk verband in (Burgerlijk Wetboek art. 6.22, 6.23).

Vorderingen tegen overheidsinstanties volgen dezelfde gerechtelijke weg als onrechtmatige daadszaken tegen bedrijven, wanneer de staat zijn plicht om het gedrag van bedrijven te reguleren niet nakomt, wanneer hij optreedt als economische agent (bijv. via staatsbedrijven of openbare aanbestedingen), of wanneer hij subsidies toekent aan bedrijven waarvan beweerd wordt dat ze de mensenrechten schenden. Slachtoffers kunnen kiezen tussen het aanvechten van een schadelijk administratief besluit, een schadelijke verordening of impliciete handeling bij de Raad van State, of de staat aanklagen via de civiele procedure op grond van onrechtmatige daad. Dit laatste is de enige mogelijkheid als de schade is veroorzaakt door een gebrek aan overheidsoptreden, of als er schadeloosstelling wordt geëist van zowel een bedrijf als de staat. Een burgerlijke rechtbank kan geen administratieve besluiten vernietigen, maar kan de toepassing van onwettige administratieve besluiten vermijden door de toepassing van de exceptie van onwettigheid (Belgische Grondwet, art. 159). Wanneer het doel de rechterlijke toetsing van een administratief besluit is, is de Raad van State de enige bevoegde rechtbank.

Normatieve gronden van bedrijfsaansprakelijkheid

  • Bedrijfsleiders kunnen rechtstreeks aansprakelijk worden gesteld voor buitencontractuele verantwoordelijkheid bij de uitoefening van hun functie: Er is sprake van beroepsaansprakelijkheid wanneer de manager handelt buiten de grenzen van hoe een redelijke, normale en zorgvuldige manager onder dezelfde omstandigheden redelijkerwijs zou handelen (Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, art. 2:56). De schadeloosstelling die de manager moet betalen als hij aansprakelijk wordt gesteld, heeft een bovengrens voor bepaalde fouten (Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, art. 2:57).
  • Werknemers kunnen rechtstreeks aansprakelijk worden gesteld, maar alleen als ze vallen onder een van de categorieën van de wet op arbeidsovereenkomsten (art. 18).
  • Er bestaat een strikte aansprakelijkheid van rechtspersonen wanneer schade wordt veroorzaakt door bestuursorganen of hun leden, als dit het gevolg is van een fout van het bestuur of een ander feit dat aansprakelijkheid met zich meebrengt (Burgerlijk Wetboek, art. 6.15).
  • Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn ook risicoaansprakelijk voor schade die wordt veroorzaakt door hun organen of de leden van hun organen die geen deel uitmaken van hun personeel (Burgerlijk Wetboek, art. 6.15).
  • Bedrijven kunnen aansprakelijk worden gesteld via de aansprakelijkheid van de aansteller (Burgerlijk Wetboek, art. 6.14) voor schade veroorzaakt door andere werknemers van een bedrijf.

De bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering ("D&O") is van cruciaal belang om bedrijfsdekking te garanderen en verhaal te bieden aan slachtoffers van milieu- en mensenrechtenschendingen. Een D&O-verzekering beschermt het senior management en het bedrijf tegen juridische vorderingen die voortvloeien uit beslissingen of acties die ze tijdens hun functie hebben genomen. Dit omvat vorderingen met betrekking tot het niet naleven van regelgeving, nalatigheid of ethisch wangedrag. Door de verdedigingskosten, juridische kosten en soms boetes te dekken, stelt de D&O-verzekering bedrijven in staat om effectief te reageren op vorderingen en tegelijkertijd de persoonlijke bezittingen van directeuren en functionarissen te beschermen. Ze bevordert verantwoordingsplicht en stelt getroffen belanghebbenden in staat om verhaal te halen, zelfs jaren nadat de vermeende schade zich heeft voorgedaan. Bekijk hier meer.

Verjaringstermijn: voor klachten ingediend bij burgerlijke rechtbanken is vijf jaar de verjaringstermijn na de dag waarop het slachtoffer zowel de schade als de identiteit van de verantwoordelijke partij kent. Ongeacht het bewustzijn van het slachtoffer, verjaart de vordering als er twintig jaar is verstreken sinds de dag waarop de schadeveroorzakende handeling werd gepleegd.

Resultaat: Getroffen personen kunnen volledige compensatie of schadeloosstelling eisen (Burgerlijk Wetboek, art. 6.31). Voor niet-economische schade is een eerlijke en redelijke schadeloosstelling mogelijk. De restitutie kan in natura en/of een monetaire schadeloosstelling zijn. Wanneer er een bewezen of dreigende overtreding van een rechtsregel is, is een gerechtelijk bevel of verbod mogelijk om te voorkomen dat er schade optreedt (Burgerlijk Wetboek, art. 6.40).

Groepsvorderingen

Voor zover een schending van mensenrechten ook de rechten van consumenten schendt, kan een collectieve vordering worden overwogen. Er zijn twee soorten groepsvorderingen:

  • Groepsvordering namens consumenten heeft exclusieve rechtsbevoegdheid: De rechtbank van koophandel in Brussel (Gerechtelijk Wetboek, art. 633ter).

Groepsvorderingen (Wetboek van economisch recht, art. XVII.36-39) kunnen worden ingesteld wanneer bedrijven hun contractuele verplichtingen of de Europese en Belgische mededingings- en consumentenbeschermingsregels daadwerkelijk of mogelijk schenden. Er moet worden aangetoond dat deze procedure effectiever is dan een civielrechtelijke procedure. Alleen specifieke organisaties kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger voor een groep consumenten.

Resultaat: Partijen kunnen een herstelovereenkomst krijgen die wordt gesloten na maximaal zes maanden onderhandelen tussen de partijen (Wetboek van economisch recht, art. XVII.43-48) en goedgekeurd door de rechter. Dit vormt geen erkenning van schuld of aansprakelijkheid door het bedrijf (Wetboek van economisch recht, art. XVII.51). De overeenkomst moet een beslissing bevatten over het toepasselijke optiesysteem voor consumenten om mogelijk mee te doen aan de overeenkomst. Het "opt in"-systeem is altijd van toepassing voor personen die normaal niet in België verblijven of wanneer een vergoeding voor fysieke of morele schade wordt gevraagd (Wetboek van economisch recht, art. XVII.45).

Als er geen overeenstemming wordt bereikt, velt de rechter een vonnis waarin het collectief beroep wordt toegewezen of afgewezen. Na toekenning hebben consumenten vier maanden de tijd om zich bij de groep aan te sluiten en van de beslissing te profiteren (Wetboek van economisch recht, art. XVII.54-55/1). Er wordt een schaderegelaar aangesteld om de overeenkomst of het vonnis uit te voeren, dat kan bestaan uit een teruggave in natura of door een equivalent (Wetboek van economisch recht, art. XVII.54).

  • Groepsvorderingen namens kmo's

Kmo's kunnen een groepsvordering aanspannen wanneer ze geconfronteerd worden met collectieve schade door dezelfde oorzaak. Dezelfde voorwaarden als bij groepsvorderingen voor consumenten zijn van toepassing. Alleen kmo's, natuurlijke of rechtspersonen die een economische activiteit uitoefenen, minder dan 250 mensen in dienst hebben en een jaaromzet van minder dan 50 miljoen euro of een balanstotaal van minder dan 43 miljoen euro hebben, kunnen zich bij deze juridische actie aansluiten.

Strafrechtbanken

Wanneer de schending van mensenrechten ook een strafbaar feit is, kunnen slachtoffers kiezen tussen erkenning als burgerlijke partij in de strafprocedure of het vragen van schadeloosstelling voor de burgerlijke rechtbank nadat de strafrechter een veroordeling heeft uitgesproken. In België zijn rechtspersonen strafrechtelijk aansprakelijk voor misdrijven die intrinsiek verbonden zijn met de verwezenlijking van hun doel of de behartiging van hun belangen, of die in hun naam zijn gepleegd (Nieuw Strafwetboek, art. 18). De vordering kan rechtstreeks door de openbare aanklager voor de strafrechter worden gebracht. Een betrokken persoon of een persoon met bewijs van het vermeende misdrijf kan een klacht indienen. Als de openbare aanklager geen initiatief neemt, kan de betrokken persoon een klacht indienen voor niet-ernstige misdrijven, maar moet hij een borgsom betalen. In principe kunnen alleen slachtoffers als burgerlijke partij worden erkend.

Minnelijke schikkingen kunnen worden getroffen in ruil voor een geldbedrag voordat een definitieve uitspraak wordt gedaan, zoals goedgekeurd door de Raadkamer of de rechtbank (Wetboek van Strafvordering, art. 216bis). Dit is alleen mogelijk als de straf voor het vermeende misdrijf niet meer dan twee jaar gevangenis bedraagt. Voor rechtspersonen wordt dit omgezet in een beperkte geldboete (Wetboek van Strafrecht, art. 41bis).

Bovendien moeten de slachtoffers vóór de schikking volledig schadeloos zijn gesteld voor de geleden schade, of de daders moeten hun wettelijke aansprakelijkheid schriftelijk hebben erkend en de niet-betwiste schade al hebben vergoed, wat een onweerlegbaar vermoeden van schuld vormt dat door de slachtoffers kan worden gebruikt voor een civiele rechtbank (Wetboek van Strafvordering, art. 216bis).

Grensoverschrijdende bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen

In grensoverschrijdende zaken hebben Belgische strafrechtbanken een beperktere bevoegdheid dan in civiele zaken. Ze kunnen alleen optreden als het misdrijf nauwe banden heeft met Belgische bedrijven, als van slachtoffers redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat ze de vordering in een ander rechtsgebied indienen, of als de misdrijven een (internationaal) misdrijf zijn.

Voorwaarden:

  • De schending van mensenrechten zou een misdaad moeten zijn in het gastland en in België.
  • Voor niet-Belgische slachtoffers kan de openbare aanklager het strafrechtelijk onderzoek pas starten nadat een klacht is ingediend door slachtoffers, hun familieleden of door een officiële mededeling van de autoriteiten van de staat waar het misdrijf is gepleegd, en alleen als de verdachte zich op Belgisch grondgebied bevindt.
  • Personen die handelen in naam van een rechtspersoon met maatschappelijke zetel in België kunnen in België worden vervolgd wanneer het slachtoffer de Belgische nationaliteit heeft en de daad in het gastland strafbaar is met een maximumstraf van minstens vijf jaar gevangenisstraf of wanneer het gaat om een ernstige schending van het internationaal humanitair recht (Wetboek van Strafvordering, art. 7, 12-3)).

Universele rechtsbevoegdheid is de meest verstrekkende grensoverschrijdende strafrechtelijke actie. Ze kan worden gebruikt voor schendingen van het internationaal humanitair recht en voor terrorisme (Wetboek van Strafvordering, art. 8).

Resultaten: De civiele partij kan een schadeloosstelling ontvangen van een strafrechter wanneer de civiele vordering gekoppeld was aan deze procedure (Wetboek van Strafvordering, art. 4). Anders kan er een vordering uit onrechtmatige daad worden ingediend bij de burgerlijke rechtbank om het strafvonnis ten uitvoer te leggen. Andere resultaten hangen af van de veroordeelde:

  • Voor natuurlijke personen kunnen veroordelingen bestaan uit boetes, gevangenisstraf, elektronisch toezicht, taakstraf tot bijzondere verbeurdverklaring en ontzetting uit politieke en burgerlijke rechten (Strafwetboek, art. 7).
  • Voor rechtspersonen kunnen strafrechtelijke sancties bestaan uit boetes, bijzondere verbeurdverklaring, een verbod om een activiteit uit te voeren die deel uitmaakt van het bedrijfsdoel, de sluiting van een of meer vestigingen of ontbinding (Strafwetboek, art. 7bis). Voor staatsbedrijven zijn ontbinding en verboden of sluitingen die een impact hebben op hun openbare dienstverlening niet mogelijk.
  • Publieke entiteiten kunnen ook strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, maar dit blijft beperkt tot een eenvoudige schuldverklaring (Nieuw Strafwetboek, art. 40).

De EU-richtlijn milieucriminaliteit (2024/1203) versterkt het wettelijke kader voor de bestrijding van milieuschade in de hele EU. Ze breidt de lijst van strafbare feiten uit, waaronder grensoverschrijdende misdrijven zoals illegale afvaltransporten, illegale scheepsrecycling, illegale houthandel en overtredingen van de EU-verordeningen inzake chemische stoffen, kwik en antiontbossing. Ernstige misdrijven, vergelijkbaar met ecocide, d.w.z. misdrijven die wijdverspreide, langdurige of onomkeerbare schade veroorzaken, worden beschouwd als gekwalificeerde misdrijven, waarop zware straffen staan. Leidinggevenden kunnen ook persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. De richtlijn legt de nadruk op grensoverschrijdende handhaving en samenwerking en is daarom vooral relevant voor waardeketens in de logistieke, maritieme, landbouw- en chemische sector.

Arbeidsrechtbanken

Arbeidsrechtbanken kunnen vorderingen behandelen die rechtstreeks verband houden met werkgelegenheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, sociale zekerheid of het recht op gelijkheid en non-discriminatie op het werk. Werknemers kunnen ook vertegenwoordigd worden door een vakbondsafgevaardigde. Arbeidsrechtbanken doen ook uitspraak over de toepassing van administratieve sancties voor overtredingen van sociale administratieve regels en over vorderingen van asbestslachtoffers (Gerechtelijk Wetboek, art. 578-583). In deze gevallen kunnen ook verzekeringsrecht, compensatiefondsen en het recht inzake onrechtmatige daad worden toegepast.

Compensatiefondsen bestaan uit een apart kapitaal, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dat als doel heeft slachtoffers compensatie of financiële genoegdoening te geven voor ernstige gebeurtenissen. De belangrijkste zijn:

  • Het Federaal agentschap voor beroepsrisico's (FEDRIS) vergoedt slachtoffers van zowel arbeidsongevallen als beroepsziekten.
  • Het Fonds tot vergoeding van de in geval van Sluiting van Ondernemingen ontslagen werknemers.
  • Het Fonds voor Medische Ongevallen vergoedt slachtoffers van schade als gevolg van gezondheidszorg of hun begunstigden. Het kan optreden wanneer er geen schuld is of wanneer er sprake is van schuldaansprakelijkheid. Het biedt ook bemiddelingsdiensten aan.
  • De gewestelijke rampenfondsen fungeren als veiligheidsfondsen in geval van natuurrampen.
  • Het Asbestfonds vergoedt professionele en niet-professionele slachtoffers van bepaalde ziekten die verband houden met blootstelling aan asbest in België.

Resultaat: Soms kan schadeloosstelling worden verkregen zonder naar de rechtbank te gaan. Als de aangeboden schadeloosstelling niet bevredigend is, kunnen slachtoffers het voorgestelde bedrag aanvechten voor een arbeidsrechtbank.

De Raad van State

De Raad van State is bevoegd voor vorderingen die de staat aansprakelijk willen stellen. Ze behandelt vorderingen die de nietigverklaring vragen van een administratief besluit, reglement of impliciete beslissing die een dwingende regel of rechtsbeginsel schendt (Gecoördineerde wetten op de Raad van State, art. 14). In bepaalde gevallen kunnen eisers ook een schadeloosstelling vragen voor schade die door deze administratieve besluiten is veroorzaakt.

De Raad van State kan alleen rechtszaken over onrechtmatige daad behandelen als er nog geen civiele vordering is ingediend om schadeloosstelling te eisen voor de schade die is veroorzaakt door het administratief besluit in kwestie. Daarom sluit het indienen van een administratieve vordering de mogelijkheid uit om later een civiele vordering in te dienen. Als de schadeclaim gericht is aan zowel een bedrijf als de staat, moet de rechtszaak worden aangespannen bij een burgerlijke rechtbank. Slachtoffers moeten de schade aantonen die zij hebben geleden als gevolg van de administratieve besluiten, rekening houdend met het algemeen belang. De verjaringstermijn bedraagt 60 dagen na kennisgeving van het betwiste administratief besluit of kennisgeving van de beslissing die het administratief beroep afrondt.

Resultaat: Deze optie is sneller dan civiele rechtszaken. De verjaringstermijn is echter korter en er is geen recht op beroep, in tegenstelling tot bij civiele vorderingen uit onrechtmatige daad. In ruil daarvoor kan de Raad van State voorlopige, preventieve of corrigerende maatregelen en, in bepaalde gevallen, schadeloosstelling bevelen. Hoewel voorlopige maatregelen schade kunnen voorkomen, is de opschorting van de handeling niet automatisch en afhankelijk van de criteria van de relevante publieke entiteit. Daarom moet in dringende gevallen de opschorting van het administratief besluit worden aangevraagd naast het aanvechten van het administratief besluit.

De procedure van uiterst dringende spoed voor de Raad van State is van toepassing op vorderingen tot opschorting van een administratief besluit tegen openbare aanbestedingsprocedures. Rechthebbenden of belanghebbenden hoeven geen schade te bewijzen. Het administratieve besluit inzake overheidsopdrachten kan alleen worden vernietigd wanneer Europese, grondwettelijke of wettelijke regels zijn geschonden.

Uitsluitend op de staat gerichte mechanismen

Rechterlijke toetsing

Rechterlijke toetsing door het Grondwettelijk Hof controleert of de wetgeving de grondwettelijke rechten en vrijheden respecteert. Het kan gebruikt worden om wetgeving aangenomen door het federale parlement (statuten) en door de parlementen van de gemeenschappen en gewesten (decreten en ordonnanties) nietig te verklaren wanneer ze grondwettelijke grondrechten schenden, met inbegrip van de rechten van niet-burgers. Het Hof kan de naleving van internationale verdragen niet rechtstreeks toetsen. Elke bij wet aangewezen autoriteit of elke persoon met een gerechtvaardigd belang kan dergelijke handelingen aanvechten. De reikwijdte van "elke persoon met een gerechtvaardigd belang" omvat natuurlijke of rechtspersonen, privé of publiek, en van elke nationaliteit die door de betwiste wet kan worden geraakt. De verjaringstermijn is zes maanden na publicatie van het wetgevingsbesluit in het Publicatieblad.

Resultaat: Dit mechanisme biedt geen directe schadeloosstelling aan slachtoffers. Het probeert echter structurele tekortkomingen te verhelpen die aan de basis liggen van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen. Het aanvechten van wetten die bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen toestaan, kan een effectiever rechtsmiddel zijn en toekomstige schendingen voorkomen. Het Hof kan bepaalde gevolgen van de vernietigde wet handhaven (Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof, art. 8), maar de wetgever kan dezelfde bepaling niet opnieuw aannemen (Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof, art. 20).

Verwijzingsbeslissingen (prejudiciële beslissingen) in België (en voor het HvJEU)

Elk tribunaal kan prejudiciële vragen stellen aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van rechtsregels met grondwettelijke mensenrechtenbepalingen. Het Grondwettelijk Hof kan ook prejudiciële beslissingen voorleggen aan het HvJEU, om te beslissen of nationale regels in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving, waaronder de EU-Verdragen en het Handvest van de grondrechten. De prejudiciële beslissing van het HvJEU geeft geen uitsluitsel over de zaak. Als het HvJEU oordeelt dat de nationale wet in strijd is met de EU-wetgeving, moet het Grondwettelijk Hof de aangevochten wet vernietigen. Prejudiciële beslissingen van het HvJEU hebben kracht van gewijsde, d.w.z. deze gerechtelijke weg kan niet in werking worden gesteld als er al een uitspraak is geweest over dezelfde kwestie. Ze zijn ook bindend voor alle lidstaten van de EU. Als een EU-wet wordt vernietigd, worden nationale wetten die erop zijn gebaseerd ook ongeldig. Dit mechanisme heeft mensenrechten beschermd met betrekking tot toegang tot de rechter in milieukwesties, consumentenbescherming, enz.

Door de staat geboden buitengerechtelijke mechanismen

Gewoonlijk zijn door de staat geboden buitengerechtelijke mechanismen (SBN-JM) de eerste stap voor getroffen personen en gemeenschappen wanneer klachtenmechanismen geen effectief rechtsmiddel boden. Administratieve instanties zouden snellere en goedkopere oplossingen kunnen bieden dan rechtbanken. Soms moeten deze opties worden uitgeput voordat er gerechtelijke stappen worden ondernomen.

Nationale buitengerechtelijke mechanismen

Toezichthoudende autoriteiten

Toezichthoudende autoriteiten hebben onderzoeksbevoegdheden om procedures te starten en sancties op te leggen. Deze resultaten zijn geen onmiddellijke oplossing voor getroffen rechthebbenden of belanghebbenden, maar ze hebben een afschrikkend effect en kunnen, in sommige gevallen, garanties bieden voor niet-herhaling als de sanctie de sluiting van het bedrijf of de intrekking van een exploitatievergunning is.

Normatieve gronden van de toezichthoudende autoriteit van de EU voor de waardeketen

  • De richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid vereist dat de lidstaten een toezichthoudende autoriteit aanwijzen die toeziet op de naleving en onderzoek doet naar niet-naleving (art. 24-6). Deze autoriteit kan ook straffen opleggen, voorlopige maatregelen nemen en de stopzetting van inbreuken, het afzien van herhaling en herstel bevelen (art. 25). Er zal een Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten worden opgericht om de samenwerking en coördinatie te vergemakkelijken (art. 28). De CSDDD vereist ook dat lidstaten voorzien in burgerlijke aansprakelijkheid voor bedrijven voor inbreuken op due diligence-verplichtingen en een recht op volledige schadeloosstelling voor slachtoffers (art. 29).

Toezichthoudende bevoegdheden inzake duurzaamheidsrapportage

De Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) heeft specifieke toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot de bindende normen voor duurzaamheidsverslaggeving. Concreet doet de FSMA het volgende:

  • toezicht houden op de informatie die wordt vereist door de taxonomieverordening wanneer deze de 'periodieke' informatie van beursgenoteerde bedrijven vraagt;
  • toezicht houden op de naleving van de richtlijn duurzaamheidsrapportering (CSRD) door bedrijven die genoteerd zijn op de gereglementeerde markt Euronext Brussel (met uitzondering van micro-ondernemingen); de FSMA kan ook sancties opleggen bij niet-naleving (zie website voor huidige en toekomstige verplichtingen);
  • een risicomodel gebruiken om te controleren of de duurzaamheidsinformatie die gepubliceerd wordt door bedrijven die gebonden zijn aan de richtlijn betreffende duurzame financiële verslaglegging (SFRD) correct, duidelijk, niet misleidend, voldoende en transparant is, om elk risico op greenwashing te vermijden.

Resultaten: de FSMA kan onderzoek doen, sancties opleggen en relevante informatie publiceren voor consumenten en belanghebbenden. De omzetting in Belgisch recht vindt u hier.

Toezichthoudende bevoegdheden voor bepaalde mijnbouwgerelateerde waardeketens

Voor sommige sectorspecifieke verordeningen die door de EU zijn uitgevaardigd, heeft België het ministerie van Economie, KMO, Middenstand en Energie de bevoegdheid gegeven om regels op te stellen voor inbreuken en toe te zien op de naleving van de verordeningen door middel van controles die met terugwerkende kracht kunnen worden uitgevoerd. De competentiegebieden zijn de volgende:

  • Verordening Conflictmineralen: Het ministerie heeft een speciale website voor importeurs van goud, tin, tantaal en wolfraam uit door conflicten getroffen gebieden en gebieden met een hoog risico (CAHRAS), waarin hun verplichtingen worden beschreven.
  • Batterijenverordening: Het ministerie houdt samen met het ministerie van Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu toezicht op de naleving. Als de voorschriften niet worden nageleefd, moeten de batterijen in kwestie worden beperkt of verboden (art. 83-4). Voor bepaalde inbreuken kunnen boetes worden opgelegd of zelfs strafrechtelijke vervolging worden ingesteld (Wet betreffende de productnormen art. 17).

Resultaat: De handhaving van deze verordeningen is gevarieerd, evenals de mogelijkheden om sancties op te leggen. Voor de invoer van deze producten hebben de douanediensten ook toezichthoudende bevoegdheden. Wat de verordening inzake kritieke grondstoffen betreft, moet België één enkel contactpunt oprichten voor elk relevant bestuursniveau en elk stadium van de waardeketen van kritieke grondstoffen (art. 9). België kan ook de toepasselijke sancties voor inbreuken bepalen (art. 47) en een conformiteitsbeoordelingsprocedure eisen voor bepaalde producten (art. 28 j° 33).

Inspecties van gevaren of overlast die het milieu aantasten

Bedrijven met een mogelijke negatieve impact op het milieu kunnen verplicht worden om een vergunning aan te vragen voordat ze met hun activiteiten beginnen. In sommige gevallen is een milieueffectrapportage (MER) vereist om de vergunning te verkrijgen en kunnen geïnteresseerde burgers opmerkingen en commentaar indienen bij de autoriteiten. De uiteindelijke beslissing moet openbaar zijn, zodat burgers beroep kunnen aantekenen bij bevoegde rechtbanken of instanties, waaronder de Raad van State. Er kan ook een vordering worden ingediend bij een ombudsman.

Wanneer een activiteit in België negatieve milieueffecten kan hebben in een ander land, zijn grensoverschrijdende MER-procedures op Europees en internationaal niveau van toepassing, bijv. die in het kader van het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo-verdrag).

Wanneer bedrijven al met een vergunning werken, is ernstige schade een voorwaarde voor het aanvragen van schorsing of intrekking van een vergunning na een MER. Wanneer bedrijven milieuschade veroorzaken, moeten ze hoe dan ook preventieve of herstelmaatregelen nemen en de daarmee samenhangende kosten dragen. De Belgische federale en subnationale niveaus (Vlaanderen, Wallonië en Brussel-Hoofdstad) zijn bevoegd om slachtoffers van mensenrechtenschendingen door milieuschade te beschermen. Milieuschade kan ook een strafbaar feit zijn.

Op federaal niveau: het DG Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, voor de volgende onderwerpen:

  • Milieuschade in de Belgische Noordzee.
  • Introductie van een GGO op de Belgische markt.
  • Misbruik van het Ecolabel voor milieuvriendelijke consumentenproducten.

Op subnationaal niveau:

  • Wallonië: Leefmilieu-Natuur informatie verstrekken om in bepaalde gevallen een gerechtelijk bevel aan te vragen; de Directie Natuurlijke Rijkdommen en Leefmilieu of bevoegde lokale overheden (voor andere vorderingen); beroep aantekenen bij de Beroepscommissie.
  • Vlaanderen: lokale overheden houden toezicht op de bescherming van het milieu en tegen hun beslissingen over milieuvergunningen kan beroep worden aangetekend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: lokale overheden hebben toezichthoudende bevoegdheden en er kan beroep worden aangetekend bij het Milieucollege.

Resultaat: Bedrijven kunnen worden verplicht om preventieve maatregelen te nemen als er een onmiddellijke dreiging van schade is. Wanneer de schade zich heeft voorgedaan, kunnen bedrijven worden bevolen om bijkomende schade en bedreigingen te voorkomen en om een gepaste oplossing te bieden. Dit laatste kan sancties en boetes omvatten, het intrekken van vergunningen of het stopzetten van activiteiten om het milieu te herstellen of toekomstige schade te voorkomen. Wanneer getroffen personen en gemeenschappen geen genoegdoening krijgen of op zoek zijn naar schadeloosstelling, kunnen ze het bedrijf en/of de staat aanklagen bij burgerlijke rechtbanken (in geval van onrechtmatige daad) of strafrechtbanken (als de schending van mensenrechten neerkomt op een misdrijf). Ze kunnen de staat ook voor de Raad van State dagen als de schade verband houdt met een administratief besluit.

In België is het ministerie van Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu - Federale Milieu-inspectie (Eenheid ontbossingsvrije producten) belast met de implementatie:

  • de houtverordening (EUTR). De douanediensten kunnen boetes opleggen en producten in beslag nemen voor inbreuken op de EUTR.
  • De verordening inzake ontbossingsvrije producten (EUDR). Ze kunnen op risico gebaseerde controles uitvoeren, tussentijdse maatregelen nemen en een openbaar jaarverslag opstellen (art. 16-23). Ze kunnen marktdeelnemers ook verzoeken corrigerende maatregelen te nemen en waar nodig boetes (art. 24) en inbeslagname (art. 25) opleggen. De Belgische wet schrijft gevangenisstraffen en/of boetes voor bij overtreding van deze regelgeving (Wet betreffende de productnormen art. 17).

Welzijn op het werk en sociale zekerheid

Verschillende instanties kunnen inspecties uitvoeren en sancties opleggen met betrekking tot welzijn op het werk. De federale ministeries van Werkgelegenheid en Sociale Zaken, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de FOD Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de politie hebben toezichthoudende bevoegdheden. Andere sociale inspectiediensten van subnationale overheden zijn het Departement Werk en Sociale Economie (voor Vlaanderen), de Brusselse Gewestelijke Overheidsdienst voor Economie en Werkgelegenheid en het directoraat voor Werkgelegenheid, Economie en Onderzoek (Wallonië). Ze kunnen inspecties uitvoeren op eigen initiatief, na een klacht van een belanghebbende (werkgever, werknemer of hun vertegenwoordigers), op verzoek van een administratieve autoriteit of na een aanvraag van de openbare aanklager of de onderzoeksrechter (zie Sociaal Strafwetboek, art. 22-49). Deze individuele klachten moeten verband houden met een tewerkstellingssituatie en kunnen geen betrekking hebben op sociale fraude, bijv. onbetaald loon en werken in een onveilige of ongezonde omgeving.

Resultaat: Inspecties kunnen resulteren in de implementatie van preventieve maatregelen of sancties, zoals een exploitatieverbod, een praktijkverbod of sluiting van het bedrijf, en in onderzoeken naar administratieve of strafrechtelijke overtredingen (Sociaal Strafwetboek (art. 21) en Verdrag van de IAO inzake de arbeidsinspectie nr. 81). Getroffen personen moeten de rechtbank inschakelen om schadeloosstelling te krijgen. Het Meldpunt voor een Eerlijke Concurrentie ontvangt klachten van burgers, bedrijven, werkgevers- en werknemersorganisaties, sociale diensten, steden en gemeenten, andere openbare instellingen en andere organisaties. Het meldpunt kan een rapport vrijgeven wanneer ze vermoeden dat een burger of een bedrijf sociale fraude pleegt (sociale dumping, zwartwerk, werkgerelateerde discriminatie, economische uitbuiting of mensenhandel).

Verordening dwangarbeid: België moet een bevoegde autoriteit aanwijzen om de verordening uit te voeren. Zij zullen onderzoeken uitvoeren en beslissingen nemen over risico's binnen het land, terwijl de Commissie bevoegd is buiten het grondgebied van de EU (art. 14-20). De beslissing kan ten uitvoer worden gelegd in geval van niet-naleving (art. 23) en er kunnen sancties worden opgelegd volgens de nationale wetgeving (art. 37). Er zal ook een databank worden opgezet om risicogebieden in kaart te brengen (art. 8) en er zal één punt voor het indienen van informatie in alle talen van de EU worden opgericht (art. 9). Douanediensten hebben ook toezichthoudende bevoegdheden om producten aan de grens te controleren (art. 26-31).

Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA)

Via dit mechanisme kunnen personen die worden getroffen door de schending van de plicht om hun persoonsgegevens te beschermen, een verzoek indienen:

  • Informatie voor specifieke vragen. Als er ernstige aanwijzingen zijn dat de regels voor gegevensbescherming worden geschonden, kan de GBA ex officio een onderzoek starten dat kan leiden tot sancties.
  • Een bemiddelingsprocedure.
  • Een klachtenprocedure. De GBA heeft een beoordelingsmarge om een ontvankelijke klacht te onderzoeken. Andere instanties zijn bevoegd als de klacht betrekking heeft op politie- of inlichtingendiensten.

Resultaat: De GBA kan sancties opleggen die afhankelijk zijn van de ernst van de inbreuk, waaronder boetes, maar heeft niet de mogelijkheid om schadeloosstelling toe te kennen. Slachtoffers moeten acties wegens onrechtmatige daden in gang zetten.

Coördinatoren van digitale diensten

De digitaledienstenverordening (DSA) reguleert online tussenpersonen en platforms zoals marktplaatsen, sociale netwerken, platforms voor het delen van inhoud, app stores en online reis- en accommodatieplatforms. Ze wil illegale en schadelijke online activiteiten en de verspreiding van desinformatie die de veiligheid en fundamentele rechten kunnen aantasten, voorkomen. In België is het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie de belangrijkste coördinator en kan het klachten ontvangen van gebruikers van onlineplatforms over structurele problemen met de provider of het onlineplatform. De Europese Commissie heeft de exclusieve bevoegdheid om toezicht te houden op alle verplichtingen van zeer grote online platforms en zoekmachines en deze te handhaven.

Resultaat: De coördinatoren kunnen administratieve boetes opleggen of verschillende maatregelen nemen (bijv. actieplannen eisen om de overtredingen te stoppen of de dienst opschorten).

Toezichthoudende autoriteit voor artificiële intelligentie (AI)

De AI-verordening verplicht lidstaten om conformiteitsbeoordelingsinstanties aan te wijzen, met name voor AI-systemen met een hoog risico, evenals een autoriteit voor markttoezicht. Deze ontvangt klachten van individuen en organisaties die getroffen zijn door een beslissing van een AI-systeem met een hoog risico. Op Europees niveau kan het AI-bureau mogelijke inbreuken onderzoeken en verzoeken om corrigerende maatregelen en toezicht houden op de naleving van de verordening. De AI-raad houdt zich bezig met de effectieve implementatie. In België is de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie de algemene coördinator voor de uitvoering van de AI-wet. Andere instellingen die de grondrechten beschermen, zoals UNIA, blijven bevoegd voor de bescherming van de grondrechten en AI op hun gebieden (art. 77).

Resultaat: Wanneer een inbreuk wordt gemeld, wordt er een periode gegeven om de niet-naleving te beëindigen en als dit niet gebeurt, kunnen de desbetreffende autoriteiten maatregelen en boetes opleggen.

Instellingen voor mensenrechten

Het Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens (FIHR)

Het FIHR heeft een residueel mandaat dat betrekking heeft op alle zaken die verband houden met de grondrechten, behalve die welke worden behandeld door de sectorale organen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten. Het mandaat van het FIHR omvat ook het handelen en nalaten van zowel overheden, particuliere instanties als individuen, binnen de grenzen van de uitoefening van de federale restbevoegdheden. Momenteel kan het FIHR alleen advies geven, toezien op de naleving van de internationale mensenrechtenverplichtingen door België en de naleving van de mensenrechten bevorderen. Het FIHR heeft geen mandaat om individuele klachten te behandelen. Hoewel één van de thema's Bedrijfsleven en Mensenrechten is, beperkt zijn bevoegdheid zich tot het opvolgen van deze ontwikkelingen op zowel internationaal als nationaal niveau en het adviseren van de federale wetgever over gepaste wetgeving en de juiste omzetting van internationale standaarden en regelgeving.

Het Vlaams Mensenrechteninstituut

Het Vlaams Mensenrechteninstituut biedt eerstelijnsbijstand aan personen die het slachtoffer zijn van mensenrechtenschendingen. Zijn mandaat is om te bemiddelen en te luisteren naar klachten over discriminatie en andere mensenrechten. Als bemiddeling niet werkt, kunnen de betrokken personen de Geschillenkamer inschakelen om een uitspraak te doen over de zaak.

Resultaat: Het Vlaams instituut kan de bemiddelingsprocedure afsluiten met een schikking. Als de bemiddeling niet werkt, kan de klachtenprocedure worden afgesloten met aanbevelingen.

Federaal Migratiecentrum – Myria

Myria is een onafhankelijk orgaan met drie mandaten: het bevorderen van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel, het informeren van de autoriteiten over de aard en omvang van migratiestromen en het beschermen van de grondrechten van vreemdelingen. Het is de Belgische onafhankelijke Nationale Rapporteur inzake mensenhandel. Myria heeft controlebevoegdheden en kan civiele procedures aanspannen tegen mensenhandel. Het speelt een belangrijke rol in de strijd tegen mensenhandel, die schendingen zoals arbeidsuitbuiting of hedendaagse vormen van slavernij omvat.

Resultaat: Myria biedt eerstelijnsrechtsbijstand en kan civiele klachten indienen en bemiddelen bij arbeidsrechtbanken om het loon van werknemers betaald te krijgen. Myria kan ook tussenkomsten van derden realiseren of als amicus curiae optreden voor nationale en internationale rechtbanken. De opvangcentra Pag-Asa in Brussel, Sürya in Wallonië en Payoke bieden ook eerstelijnsondersteuning en kunnen in eigen naam of in naam van slachtoffers een vordering indienen als burgerlijke partij. Administratieve autoriteiten die belast zijn met sociale regelgeving moeten ook proberen een einde te maken aan het misbruik en sancties opleggen. Als het misbruik een strafbaar feit is, moet de klacht worden ingediend bij de openbare aanklager en moeten slachtoffers psychologische en medische hulp krijgen. Slachtoffers en/of ngo's die slachtoffers van mensenhandel ondersteunen, mogen niet gecriminaliseerd worden.

Internationale door de staat geboden mechanismen

Als geen van de nationale mechanismen toegang biedt tot een effectief rechtsmiddel in België, kunnen rechthebbenden en belanghebbenden internationale mechanismen in werking stellen.

Europese Unie

Procedures tegen lidstaten wegens niet-nakoming van hun verplichtingen op grond van de EU-wetgeving

De Europese Commissie kan rechtszaken aanspannen na een voorafgaande procedure wanneer zij vaststelt dat de EU-wetgeving niet wordt nageleefd (VWEU, art. 258). Lidstaten kunnen andere lidstaten aanklagen na een voorafgaande procedure bij de Commissie (VWEU, art. 259). EU-instellingen, -bureaus of -agentschappen kunnen ook voor de rechter worden gedaagd (VWEU, art. 263, 265) door lidstaten, EU-instellingen, natuurlijke of rechtspersonen voor handelingen die tot hen gericht zijn of die hen rechtstreeks en individueel raken.

Resultaat: De rechtbank kan de handeling nietig verklaren of verklaren dat er een nalatigheid is geweest, en de lidstaat of de EU-instelling die in gebreke is gebleven, verplichten om maatregelen te nemen (VWEU, art. 266).

Raad van Europa

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) behandelt twee soorten rechtszaken over mensenrechten

  • Interstatelijke klachten (EVRM, art. 33) kunnen worden ingediend door staten die partij zijn wanneer een schending van het EVRM en zijn Protocollen wordt toegeschreven aan een andere staat die partij is (Reglement 46 Reglementen van het Hof).
  • Individuele klachten (EVRM, art. 34) kunnen worden ingediend door elke natuurlijke of rechtspersoon, ngo of groep individuen die beweert slachtoffer te zijn van een schending door een staat die partij is bij het EVRM of de bijbehorende protocollen (Reglement 47 Reglementen van het Hof). Ngo's kunnen ook optreden als amicus curiae (vriend van de rechtbank) om informatie te verstrekken. Collectieve acties zijn niet toegestaan.

Klachten kunnen alleen worden gericht tegen een lidstaat van de Raad van Europa voor misbruik dat is gepleegd binnen zijn rechtsbevoegdheid. Bij uitzondering zijn extraterritoriale klachten toegestaan. Een rechtszaak is alleen ontvankelijk als alle beschikbare nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. De verjaringstermijn bedraagt zes maanden na de kennisgeving van de definitieve beslissing van de nationale rechtbank of vanaf het moment dat de verzoeker kennis heeft genomen van de definitieve nationale beslissing. Slachtoffers moeten onderdaan zijn van een staat die partij is of zich op het moment van de schending op het grondgebied van een staat die partij is bevinden. Slachtoffers kunnen ook wetten of administratieve besluiten aanvechten wanneer deze de mensenrechten schenden, maar dit mag geen algemene klacht tegen de regelgeving zijn.

Resultaat: Het Hof kan streven naar een minnelijke schikking in het kader van een vertrouwelijke procedure (EVRM, art. 39). Als een overtreding wordt vastgesteld en het staatsrecht slechts een gedeeltelijk herstel toelaat, zal het Hof een billijke genoegdoening toekennen (art. 41 EVRM). De staat kan verplicht worden om de situatie recht te zetten, schadeloosstelling te betalen of nieuwe wetten aan te nemen om herhaling van mensenrechtenschendingen te voorkomen.

Voorlopige maatregelen kunnen worden aangevraagd wanneer dringende maatregelen nodig zijn tegen een dreigend risico van onherstelbare schade. De slachtoffers moeten aantonen dat ze ernstige en onomkeerbare schade kunnen lijden. Voorlopige maatregelen gelden maximaal voor de duur van de procedure voor het Hof. Ze zijn meestal bevolen in gevallen van bedreiging van het leven en bedreiging met foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Zie ook de factsheet van het EHRM.

De collectieve klachtenprocedure bij het Europees Comité voor Sociale Rechten

Dit mechanisme beschermt de mensenrechten die zijn opgenomen in het Europees Sociaal Handvest, wat betekent dat alleen dit Handvest kan worden ingeroepen in de klacht. Uitputting van nationale rechtsmiddelen is niet nodig en klagers hoeven niet te bewijzen dat ze slachtoffer zijn. Alleen specifieke organisaties hebben echter het recht om een klacht in te dienen.

Resultaat (Aanvullend Protocol, 1995, art. 8-9): Het comité kan een met redenen omkleed rapport over de grond van de zaak opstellen. Het Comité van Ministers kan dan een resolutie of een aanbeveling aannemen en de follow-up vindt plaats door middel van rapportage door de staat. Het comité kan ook op gemotiveerd verzoek van een partij of proprio motu in elk stadium van de procedure onmiddellijke maatregelen nemen om onherstelbare schade te voorkomen (Reglement 36 Reglement van het Europees Comité voor Sociale Rechten).

VN-systeem

De individuele klachten

Acht van de VN-verdragen, namelijk het CCPR-OP1, CERD (14), CAT (22), CEDAW-OP, CRPD-OP, CED (31), CESCR-OP en CRC-OP, staan individuele klachten toe tegen staten die partijen zijn die de rechten die deze verdragen beschermen, hebben geschonden. Opdat het overeenkomstige comité een individuele klacht zou kunnen horen, moet de betrokken staat die partij is zijn bevoegdheid hebben erkend.

Elk VN-comité heeft een aantal bijzonderheden, maar de meest relevante ontvankelijkheidscriteria zijn dat:

  • Slachtoffers moeten de klacht indienen, tenzij ze een derde schriftelijk toestemming geven om dit te doen, of toestemming onmogelijk te verkrijgen is. Groepen slachtoffers kunnen een klacht indienen, maar niet als collectieve actie.
  • De schendingen moeten hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding, met uitzondering van voortdurende schendingen.
  • De klacht mag niet bij een andere internationale instantie zijn ingediend.
  • Alle nationale rechtsmiddelen moeten zijn uitgeput, behalve als er harde bewijzen zijn dat nationale procedures onredelijk lang duurden of niet effectief zouden zijn.

Resultaat: Het desbetreffende comité beslist of er een schending heeft plaatsgevonden en doet aanbevelingen aan de staat die partij is. Het comité houdt toezicht op de naleving van de aanbevelingen.

Rechthebbenden kunnen speciale voorlopige maatregelen aanspannen tegen een staat die partij is bij het betreffende verdrag om onherstelbare schade aan slachtoffers te voorkomen.

Andere mechanismen

Structurele hervormingen of vergoeding kunnen ook worden nagestreefd via andere internationale mechanismen. Er zijn twee organisaties die bedrijfsgerelateerde oplossingen voor mensenrechten kunnen bieden.

  • De mechanismen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) zijn opgezet voor de bescherming van sociale rechten en andere gerelateerde mensenrechten, zoals opgenomen in de verschillende van kracht zijnde IAO-verdragen. De gebruikers zijn voornamelijk werkgevers- en werknemersorganisaties, aangezien individuen niet het recht hebben om klachten in te dienen. Klachten kunnen alleen worden gericht tegen staten, zelfs als het misbruik wordt gepleegd door bedrijven.
    • De speciale procedure van toezicht
    • Het reguliere systeem van toezicht
  • Het Internationaal Strafhof (ICC) kan bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen aanklagen als ze worden getypeerd als een van de vier misdaden die zijn gedefinieerd in het Statuut van Rome: genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en agressiemisdaden. De misdaden moeten gepleegd zijn door een onderdaan van een staat die partij is, of op het grondgebied van een staat die partij is, of in een staat die de rechtsbevoegdheid van het ICC heeft aanvaard. De misdaden moeten door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VNVR) naar de aanklager van het ICC worden verwezen als gevolg van een resolutie die is aangenomen op grond van het VN-Handvest. Het ICC is een subsidiair mechanisme van nationale strafrechtelijke systemen, wanneer staten niet bereid of in staat zijn om deze misdaden te vervolgen.

Hoe aan de verwachtingen voldoen?

Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste aspecten en mechanismen die de toegang tot de rechter en effectieve rechtsmiddelen moeten garanderen wanneer er sprake is van bedrijfsgerelateerde gevolgen voor de mensenrechten. Ten eerste stelt het de minimumvereisten vast voor het garanderen van toegang tot de rechter en effectieve rechtsmiddelen, die staten verplicht zijn te bieden. Ten tweede beschrijft het hoe staten rechterlijke beslissingen moeten afdwingen, door ervoor te zorgen dat rechtsmiddelen die door rechtbanken worden toegekend, ook worden gerealiseerd. Ten derde legt het uit hoe bedrijven ervoor kunnen zorgen dat rechthebbenden effectieve rechtsmiddelen kunnen verkrijgen.

Plicht van de staat om belemmeringen voor effectieve toegang tot de rechter weg te nemen

Drie aspecten zijn essentieel voor het verkrijgen van een effectief rechtsmiddel wanneer door de staat geboden mechanismen in werking worden gesteld.

Rechtshulp- en bijstand

Rechtsbijstand is bedoeld om de kosten van een rechtszaak te dekken (honoraria van advocaten, deskundigen, deurwaarders, vertalingen, legalisatie, etc.) voor eisers zonder financiële middelen en technische kennis. De doeltreffendheid van deze steun moet geval per geval worden beoordeeld, maar er zijn enkele objectieve parameters vastgesteld om de toegang tot remediëring mogelijk te maken. Van staten wordt verwacht dat ze voldoende middelen vrijmaken voor slachtoffers van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen. In België kan deze bijstand worden toegekend aan zowel Belgische onderdanen als onderdanen van andere EU-lidstaten en van de RvE. Voor andere vreemdelingen gelden aanvullende voorwaarden of procedures (Gerechtelijk Wetboek, art. 668). Rechtsbijstand moet worden aangevraagd en wordt toegekend door de rechter die de zaak behandelt of door een Bureau voor Juridische Bijstand. Slachtoffers zonder financiële middelen om een procedure te betalen, kunnen de proceskosten ook dekken via verzekeringen.

Primaire rechtsbijstand biedt algemene informatie over juridische procedures en rechten.

Ze is beschikbaar voor elke persoon (woonachtig in België of de EU) ongeacht inkomen of wettelijk belang in een zaak. Advocaten van de 'Commissies voor Juridische Bijstand' georganiseerd door de balies, justitiehuizen en andere instellingen zoals lokale besturen, vrederechters, sociale instellingen (bijv. OCMW, Agentschap Integratie en Inburgering, of gespecialiseerde instanties voor de bescherming van mensenrechten zoals UNIA, of Myria verlenen deze bijstand.

Secundaire rechtsbijstand biedt juridische bijstand en vertegenwoordiging in gerechtelijke of administratieve procedures, evenals in bemiddeling door erkende bemiddelaars.

Alleen personen die een wettelijk belang hebben om voor een rechtbank te verschijnen en een bewezen gebrek aan financiële middelen hebben (behalve in uitzonderlijke omstandigheden waarin de wet voorziet), kunnen hierom verzoeken. Rechtsbijstand wordt verleend door de 'Bureaus voor Juridische Bijstand' die worden ingericht door de balies.

Rechtsbijstand en -hulp bij grensoverschrijdende geschillen

Rechtshulp, -bijstand en juridische vertegenwoordiging kunnen worden aangevraagd om een oplossing te zoeken voor grensoverschrijdende bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen. Het Europees Justitieel Netwerk geeft een overzicht van de belangrijkste elementen van rechtsbijstand die van toepassing zijn in de rechtsbevoegdheden van de EU voor burgerlijke en handelszaken.

Slachtoffers van mensenhandel (met name arbeidsuitbuiting) kunnen administratieve en juridische bijstand, onderdak, huisvesting en psychologische bijstand krijgen. In België bieden Pag-Asa in Brussel, Sürya in Wallonië of Payoke in Vlaanderen deze ondersteuning.

De Commissie voor Financiële Hulp aan de Slachtoffers van Opzettelijke Gewelddaden verleent financiële steun aan slachtoffers van misdrijven op Belgisch grondgebied. Deze steun dekt fysieke, materiële en morele schade. Deze financiële steun heeft geen compenserend karakter, omdat het geen aansprakelijkheid van de staat erkent. Op basis van het solidariteitsprincipe geeft de Commissie financiële steun aan slachtoffers die geen andere financiële bronnen voor herstel hebben, zoals een verzekering of een schadeloosstelling van de dader.

Garantie op toegang tot relevante informatie

Om een effectief rechtsmiddel te verkrijgen, hebben getroffen personen en gemeenschappen informatie nodig over hun rechten of moeten ze bewijs verzamelen om aansprakelijkheid aan te tonen.

Normatieve gronden

Het Verdrag van de RvE inzake de toegang tot officiële documenten (CETS 205/2020) erkent een algemeen recht op toegang tot officiële documenten van overheidsinstanties dat de uitoefening van grondrechten garandeert. België heeft het niet geratificeerd. De EU-richtlijn betreffende de rechten van slachtoffers benadrukt dat toegang tot informatie een noodzakelijke voorwaarde is om effectieve toegang tot rechtsmiddelen te garanderen. In milieukwesties wordt dit recht ook erkend in het Verdrag van Aarhus en de Verordeningen van Aarhus. Artikel 42 van het EU-Handvest beschermt het recht op toegang tot documenten van Europese instellingen. Art. 28 van de Belgische Grondwet erkent het recht om informatie op te vragen, documenten te raadplegen door verzoekschriften in te dienen of een kopie aan te vragen, behalve in de gevallen waarin de wet voorziet (art. 32, 34).

Sommige bedrijven moeten bepaalde niet-financiële informatie rapporteren die nuttig kan zijn bij het indienen van een vordering voor een bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschending.

Bewijs verzamelen om klachten in te dienen in België

Rechthebbenden en belanghebbenden of de rechterlijke macht kunnen deurwaarders verzoeken materiële feiten vast te leggen (Gerechtelijk Wetboek, art. 519). Deze optie maakt het mogelijk om bewijs en materiële feiten te verzamelen voor een toekomstige procedure tegen een bedrijf en/of de staat.

Bescherming van verdedigers en klokkenluiders.

Melders van inbreuken op de EU-wetgeving spelen een belangrijke rol door mensen bewust te maken van feitelijke of potentiële gebeurtenissen die kunnen leiden tot schendingen van mensenrechten of het milieu. In België heeft het Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens (FIHR) een speciale website voor klokkenluiders en de overeenkomstige wetgeving die Richtlijn (EU) 2019/1937 heeft omgezet.

Verdedigers spelen ook een cruciale rol bij de implementatie van Pijler III van de UNGP's. Ze ondersteunen slachtoffers bij het documenteren van overtredingen en het opstarten van juridische procedures tegen bedrijven of staten voor mensenrechtenschendingen of milieuschade of -gevaren. Richtlijn (EU) 2024/1069 is een belangrijke stap om verdedigers te beschermen tegen duidelijk ongegronde vorderingen of onrechtmatige rechtszaken ('strategic lawsuits against public participation': SLAPPS).

Hoe laat je een vonnis ten uitvoer leggen?

Rechthebbenden of belanghebbenden die een gunstig vonnis hebben gekregen, moeten om de tenuitvoerlegging vragen. In België voorziet het Gerechtelijk Wetboek, art. 1386, handhavingsmaatregelen die zowel in kort geding als in een gewone procedure kunnen worden genomen. De beslagrechtbanken van België kunnen een straf opleggen om druk uit te oefenen op de veroordeelde om een vonnis uit te voeren (Gerechtelijk Wetboek, art. 1385bis), met enkele uitzonderingen; een bewarend beslag bevelen om dringende redenen (Gerechtelijk Wetboek, art. 1413), of een beslag ter uitvoering van een vonnis, waarbij de goederen van de schuldenaar worden verkocht en de opbrengst aan de eiser wordt gegeven (Gerechtelijk Wetboek, art. 1489-1494).

Resultaat: De tenuitvoerlegging van vonnissen leidt tot effectieve rechtsmiddelen zoals restitutie, schadeloosstelling of sancties.

Uitvoering van vonnissen in grensoverschrijdende zaken

Als de schending van de mensenrechten buiten de EU werd gepleegd en een gunstig vonnis dat buiten de EU werd gedaan in België ten uitvoer moet worden gelegd, moet het vonnis mogelijk een exequatur volgen, wat de procedure is om een buitenlands vonnis in België ten uitvoer te leggen.

  • "Brussel I bis" (art. 36, lid 1 en 39) bepaalt dat in EU-lidstaten uitgesproken vonnissen in andere lidstaten worden erkend zonder dat daarvoor een speciale procedure moet worden gevolgd.
  • De Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen en de EU-verordening betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken kunnen ook van toepassing zijn.
  • De tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende niet-EU-vonnissen wordt geregeld door internationale verdragen die van kracht zijn in België en in de staat die het vonnis heeft gewezen, bijv. het Verdrag van Lugano, verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht of andere verwante verdragen.
  • Als er geen verdragen van kracht zijn, moet een exequatur de regels van het Belgisch Wetboek van internationaal privaatrecht (art. 22 e.v.) volgen, samen met de regels van het Gerechtelijk Wetboek en het Belgisch Consulair Wetboek.
Hoe aan de verwachtingen voldoen

Van bedrijven wordt verwacht dat ze gaststaten ondersteunen om ervoor te zorgen dat wanneer er nadelige bedrijfsgerelateerde gevolgen voor de mensenrechten zijn, er goede rechtsmiddelen zijn. Op die manier kunnen ze lange grensoverschrijdende rechtszaken en moeilijkheden bij het verzamelen van bewijs vermijden. Er kunnen enkele belangrijke maatregelen worden geïmplementeerd:

  • Lokale overheden in gastlanden ondersteunen. Door volledige informatie te verstrekken en deel te nemen aan overleg of bemiddelingsprocedures kunnen bedrijven ervoor zorgen dat de administratieve en gerechtelijke autoriteiten effectieve rechtsmiddelen bieden die in overeenstemming zijn met de internationale standaarden.
  • Hun klachtenmechanismen zo inrichten dat ze complementair zijn met door de staat geboden systemen, zodat ze indien nodig kunnen doorverwijzen of escaleren en de druk op juridische processen verminderen.
  • Rapporteren hoe ze risico's identificeren en aanpakken, relevante gegevens delen met de rechthebbenden, belanghebbenden en overheden en onafhankelijke onderzoeken ondersteunen, vooral in gevallen waarbij het gaat om grensoverschrijdende activiteiten die worden ontwikkeld door complexe toeleveringsketens.
  • Trainingsprogramma's organiseren voor werknemers, lokale gemeenschappen en toeleveranciers om meer inzicht te krijgen in rechten, juridische procedures en beschikbare rechtsmiddelen. Door mensen bewuster te maken van de wet en mensenrechten kunnen bedrijven schikkingen mogelijk maken en lange en kostbare rechtszaken voorkomen.

Deze website is eigendom van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling.

Neem contact op voor meer informatie of feedback over de inhoud: businessandhumanrights@fido.fed.be

Met de steun van de Raad van Europa

Coördinatie: HIVA Onderzoeksinstituut voor Werk en Samenleving

Belgium official logo

Andere officiële informatie en diensten: www.belgium.be

© 2025 Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling | Developed by spontan.agency

Privacybeleid

Gebruiksvoorwaarden

Cookiebeleid

We use cookies on this site to enhance your user experience By clicking any link on this page you are giving your consent for us to set cookies.

Feedback