Skip to main content
Skip to main content Hulpmiddelen Woordenlijst

Hulpmiddelen

Belangrijkste gereedschappen

  • Wat wordt er van bedrijven verwacht?
  • Hoe aan de verwachtingen voldoen?
  • Verhaalmechanismen
  • Woordenlijst

Main navigation

Toolbox Logo
  • Toolbox Logo
  • Startpagina
  • Over
  • Woordenlijst
  • Test
  • Zoeken
    • EN
    • |
    • NL
    • |
    • FR
Hope icon

Wat wordt er van bedrijven verwacht?

News banner
Internationaal, regionaal en nationaal regelgevend landschap Reikwijdte en verplichtingen van bedrijven Staten in interactie met private organisaties Sectoren en gebieden met een hoog risico

Sectoren en gebieden met een hoog risico

Intro Landbouw Grondstoffen Textiel Bouwsector Door conflicten getroffen gebieden en gebieden met een hoog risico (CAHRA's)
Van elk bedrijf wordt verwacht dat het zorgvuldig handelt door (potentiële) negatieve gevolgen voor mensenrechten te identificeren en te beperken. Toch kunnen de verwachtingen over de diepgang en strengheid van deze acties verschillen. Sommige bedrijven en sectoren staan meer bloot aan mensenrechtenrisico's dan andere, vanwege het soort producten of diensten waarmee ze te maken hebben, vanwege hun sectorale achtergrond of om geografische redenen. Dit hoofdstuk bekijkt deze risicofactoren van dichtbij.

De eerste vier delen in dit hoofdstuk geven een overzicht van de belangrijkste mensenrechtenrisico's in vier "risicosectoren". De selectie van deze sectoren is gebaseerd op eerdere beoordelingen door de OESO (met haar sectorale due diligence- en toeleveringsketenrichtlijnen) en de EU (in een eerdere versie van de EU-richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid). In het laatste deel van dit hoofdstuk gaan we dieper in op de specifieke uitdagingen en verwachtingen voor bedrijven die activiteiten hebben in of afkomstig zijn uit door conflicten getroffen gebieden en gebieden met een hoog risico (CAHRA's).

  • Landbouw
  • Grondstoffen
  • Textiel
  • Bouwsector
  • Door conflicten getroffen gebieden en gebieden met een hoog risico

Hoewel dit hoofdstuk een aantal sectoren uitlicht die algemeen worden beschouwd als "risicovol", moet dit niet worden opgevat als een implicatie dat andere sectoren vrij zijn van mensenrechtenkwesties. In de praktijk hebben alle bedrijven - ongeacht hun omvang, sector of geografie - op de een of andere manier te maken met (potentiële) negatieve gevolgen voor mensen. Onze selectieve behandeling van bepaalde sectoren met een hoog risico weerspiegelt slechts een prioritering op basis van de concentratie en ernst van de risico's in die gebieden, niet de afwezigheid van risico's elders.

Internationaal kader

Internationale bindende en niet-bindende mensenrechtenwetgeving, -standaarden en -principes

De wereldwijde standaard voor wat er van bedrijven wordt verwacht op het gebied van mensenrechten berust op twee belangrijke internationale instrumenten: de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP's) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen).

the United Nations Guiding Principles on
Business and Human Rights (UNGPs)
the OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct (OECD Guidelines).

Dit zijn "soft law"-instrumenten – ze creëren geen juridisch bindende verplichtingen – maar het zijn internationaal erkende richtlijnen die aanzienlijke steun hebben gekregen doordat regeringen, bedrijven, middenveldorganisaties, Europese instellingen en vele andere actoren over de hele wereld de principes hebben onderschreven en zich ertoe hebben verbonden om ze in de praktijk te brengen.

Belangrijk is dat de UNGP's en de OESO-richtlijnen ook de weg hebben geëffend voor nationaal en EU-beleid dat HREDD-verwachtingen omzet in een wettelijke vereiste (zie de delen over regionale en nationale kaders).

The United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights

De UNGP's zijn ontwikkeld onder leiding van professor John Ruggie en zijn team, na jaren van multi-stakeholderoverleg, en werden unaniem goedgekeurd door de VN-Mensenrechtenraad in juni 2011. Ze zijn gestoeld op drie pijlers die de complementaire – maar verschillende – rollen van staten en bedrijven met betrekking tot mensenrechten schetsen:

Pijler 1: De plicht van de staat om te beschermen
Staten zijn volgens de internationale mensenrechtenwetgeving verplicht om individuen op hun grondgebied of onder hun rechtsbevoegdheid te beschermen tegen mensenrechtenschendingen, inclusief die welke verband houden met bedrijfsactiviteiten. Dit doen ze via beleid, wetten, regels en handhaving.
Pijler 2: De verantwoordelijkheid van bedrijven om respect op te brengen
Bedrijven moeten proactieve stappen ondernemen om te voorkomen dat ze de rechten van mensen schaden, zowel in hun eigen activiteiten als via hun zakelijke relaties.
Pijler 3: Toegang tot rechtsmiddelen
Zowel staten als bedrijven moeten ervoor zorgen dat mensen wier rechten zijn geschonden een effectief rechtsmiddel kunnen krijgen.

Voor bedrijven – ook Belgische – is vooral pijler 2 van cruciaal belang. De verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren geldt voor alle bedrijven, ongeacht hun grootte, en heeft betrekking op zowel hun eigen activiteiten als hun waardeketens. De UNGP's bieden bedrijven een praktisch kader om aan deze verantwoordelijkheid te voldoen door middel van beleid en processen die passen bij hun omvang en omstandigheden, waaronder:

1

Een publiek engagement om mensenrechten te respecteren.

2

Een due diligence-proces op het gebied van mensenrechten om de impact op mensenrechten te identificeren, te voorkomen, te beperken en er verantwoording over af te leggen.

3

Processen om te voorzien in, of mee te werken aan, herstel wanneer zij nadelige gevolgen veroorzaken of daartoe bijdragen.

Net als bij conventionele due diligence in het bedrijfsleven of de juridische sector gaat het bij due diligence op het gebied van mensenrechten (HRDD) om risicobeheer. Het belangrijkste verschil is dat traditionele due diligence zich vooral richt op risico's voor het bedrijf (bijvoorbeeld financieel, juridisch of reputatie), terwijl HRDD zich richt op risico's voor mensen. Deze verschuiving in perspectief is wat HRDD anders maakt.

Belangrijk is dat HRDD ook een gedragsnorm vertegenwoordigt: het geeft aan hoe een redelijk bedrijf zich onder de gegeven omstandigheden zou moeten gedragen. Met andere woorden, bedrijven worden niet beoordeeld op de vraag of alle risico's zijn geëlimineerd, maar op de vraag of ze kunnen aantonen dat ze de juiste stappen hebben genomen – in verhouding tot hun omvang, activiteiten en risicoprofiel – om de gevolgen voor mensenrechten te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. De geschiktheid van de stappen die zijn ondernomen om de geïdentificeerde risico's te ontdekken en aan te pakken, zal worden beoordeeld.

Cruciaal is dat de verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren verder gaat dan alleen naleving van de wet: van bedrijven wordt verwacht dat ze zich aanpassen aan internationaal erkende mensenrechtenstandaarden, zelfs als nationale regeringen tekortschieten in het nakomen van hun eigen verplichtingen.

Nuttige bronnen:

  • Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), The UN Guiding Principles on Business and Human Rights (Verenigde Naties 2011)
  • OHCHR, The Corporate Responsibility to Respect Human Rights: An Interpretative Guide (Verenigde Naties 2012)

Welke mensenrechten worden internationaal erkend?

De UNGP's definiëren internationaal erkende mensenrechten als minimaal de rechten die zijn vastgelegd in twee belangrijke bronnen:

  • het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens; en
  • de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake de Fundamentele Principes en Rechten op het Werk.

Het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens bundelt drie historische instrumenten die door de meeste landen ter wereld zijn geratificeerd:

  • De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1948): aangenomen in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, legt het voor het eerst een gemeenschappelijke standaard van fundamentele rechten en vrijheden voor alle mensen vast. Hoewel niet wettelijk bindend, is het de basis en het referentiepunt geworden voor de moderne mensenrechtenwetgeving.
  • Het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR, 1966): garandeert essentiële civiele en politieke rechten zoals het recht op leven, privacy en een eerlijk proces; vrijheid van meningsuiting, religie en vereniging; en bescherming tegen marteling, slavernij, willekeurige opsluiting en discriminatie. Landen die het IVBPR ratificeren (zoals België) zijn wettelijk verplicht om de bepalingen ervan na te leven en regelmatig rapporten in te dienen bij het VN-Mensenrechtencomité.
  • Het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ICESCR, 1966): beschermt rechten zoals een eerlijk loon, veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, vrijheid van vereniging, het recht op onderwijs, de hoogst haalbare gezondheidsstandaard, een adequate levensstandaard en deelname aan het culturele leven. Ratificerende landen (zoals België) moeten de rechten die zijn vastgelegd in het ICESCR geleidelijk aan realiseren. De naleving wordt gecontroleerd door het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten.

De Verklaring van de IAO inzake de Fundamentele Principes en Rechten op het Werk, oorspronkelijk aangenomen in 1998 en voor het laatst herzien in 2022, biedt een gezaghebbend kader over de rechten van werknemers, een centraal onderdeel van de UNGP's. Hoewel het geen verdrag is, verplicht de IAO-Verklaring alle lidstaten van de IAO (waaronder België) om de opgesomde principes te respecteren en te promoten, ongeacht of ze de gerelateerde IAO-verdragen al dan niet hebben geratificeerd. Dit omvat het handhaven van vijf fundamentele vrijheden:

  • vrijheid van vereniging en het recht op collectief overleg
  • uitbanning van gedwongen of verplichte arbeid
  • afschaffing van kinderarbeid
  • uitbanning van discriminatie in arbeid en beroep
  • een veilige en gezonde werkomgeving.

Deze rechten zijn verder uitgewerkt in de acht fundamentele IAO-verdragen.

Nuttige bronnen:

  • C087 - Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948
  • C098 - Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949
  • C029 - Verdrag betreffende dwangarbeid, 1930
  • C105 - Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957
  • C138 - Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973
  • C182 - Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999
  • C100 - Verdrag inzake gelijke beloning, 1951
  • C111 - Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, 1958

Belangrijk is dat internationaal erkende mensenrechten verder gaan dan deze basislijn. Van bedrijven wordt verwacht dat ze speciale aandacht besteden aan groepen en individuen die extra kwetsbaar zijn voor negatieve gevolgen wanneer hun activiteiten of zakelijke relaties hen kunnen beïnvloeden. Hieronder vallen inheemse volken, vrouwen, kinderen, mensen met een handicap, migranten en etnische of religieuze minderheden. Verschillende internationale mensenrechteninstrumenten voorzien in specifieke bescherming van specifieke groepen.

Nuttige bronnen:

Juridisch bindende verdragen (na ratificatie)

  • Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (ICERD, 1965) - Geratificeerd door België in 1975
  • Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW, 1979) - Geratificeerd door België in 1985
  • Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK, 1989) - Geratificeerd door België in 1991
  • Het IAO-Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken (nr. 169, 1989) - Niet geratificeerd door België.
  • Het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (ICMW, 1990) - Niet geratificeerd door België.
  • Het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (CRPD, 2006) - Geratificeerd door België in 2009.

Niet-bindend instrument (Soft Law)

  • De VN-verklaring over de rechten van inheemse volken (UNDRIP, 2007)

In conflictgebieden is ook het internationaal humanitair recht (IHR) van toepassing. Alle EU-lidstaten hebben de belangrijkste IHR-verdragen en -protocollen geratificeerd, wat betekent dat organisaties en individuen – waaronder bedrijven en hun vertegenwoordigers – het IHR moeten naleven.

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze de UNGP's in acht nemen – in het bijzonder door de bedrijfsverantwoordelijkheid voor het respecteren van de mensenrechten in hun beleid en praktijken te verankeren – om aan de maatschappelijke verwachtingen te voldoen en hun vergunning om als bedrijf actief te zijn te behouden.

The OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct

Samen met de UNGP's vormen de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen de wereldwijde maatstaf voor verantwoord zakelijk gedrag en een praktische blauwdruk voor hoe bedrijven hun verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren kunnen nakomen.

De OESO-richtlijnen werden voor het eerst geïntroduceerd in 1976 als aanbevelingen van OESO-lidstaten (waaronder België) en andere aangesloten regeringen aan bedrijven over verantwoord ondernemen. Ze werden in 2011 herzien om ze in overeenstemming te brengen met de UNGP's. Deze update introduceerde het concept van due diligence op het gebied van mensenrechten en breidde het uit naar domeinen als milieubescherming en klimaatverandering. De meest recente herziening vond plaats in 2023 en breidde de verwachtingen voor verantwoord ondernemen uit door due diligence in te voeren op het gebied van klimaat, biodiversiteit, wetenschap, technologie, omkoping en lobbyen.

De OESO-richtlijnen worden ondersteund door nationale contactpunten (NCP's) in elk deelnemend land. Deze nationale agentschappen zorgen voor bewustmaking en promotie van de richtlijnen – onder andere door bedrijven advies te geven – en bieden een platform voor de behandeling van klachten over vermeende inbreuken op de OESO-richtlijnen door bedrijven. Ze kunnen ook beleidsinspanningen van regeringen ondersteunen om verantwoord ondernemen te bevorderen. In België valt het NCP onder de Federale Overheidsdienst Economie (FOD Economie).

Daarnaast worden de OESO-richtlijnen aangevuld met sector- en onderwerpspecifieke richtlijnen die bedrijven praktische aanwijzingen geven over hoe ze deze verwachtingen in hun dagelijkse activiteiten in de praktijk kunnen brengen.

Nuttige bronnen:

  • OESO, OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over verantwoord ondernemen (2023)
  • OESO, OESO Due Diligence Handreiking voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (2018)
  • Belgisch Nationaal Contactpunt (NCP) voor Verantwoord Ondernemen

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Van Belgische bedrijven wordt verwacht dat ze zich schikken naar de OESO-richtlijnen – in het bijzonder door risicogebaseerde due diligence op te nemen in hun activiteiten en in hun waardeketens – zowel als een kwestie van goede praktijk als om te voldoen aan de toenemende verwachtingen van regelgevers, investeerders en het maatschappelijk middenveld.

Regionaal kader

Standaarden en principes in Europa en de grotere Europese ruimte

Van bedrijven die actief zijn in Europa wordt steeds meer verwacht – en in sommige gevallen geëist – dat ze de mensenrechten respecteren, niet alleen in hun eigen activiteiten, maar in hun hele waardeketen. Deze verwachtingen gaan uit van een groeiend aantal wettelijk bindende kaders die zijn ontwikkeld door instellingen zoals de Europese Unie en de Raad van Europa.

Samen vormen deze kaders een regionale juridische omgeving waarin het respecteren van mensenrechten niet langer alleen een goede praktijk is, maar een wettelijke en maatschappelijke verwachting aan het worden is.

Belangrijkste regionale standaarden die relevant zijn voor het bedrijfsleven en mensenrechten

Voor bedrijven die actief zijn in de EU zijn regionale standaarden – naast internationaal erkende mensenrechten – zeer relevant, omdat ze de juridische omgeving waarin bedrijven opereren vormgeven. Deze omvatten:

  • Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (1950): een verdrag van de Raad van Europa, bindend voor de lidstaten (waaronder België). Het garandeert de belangrijkste burgerlijke en politieke rechten (bijv. recht op leven, vrijheid van vereniging, non-discriminatie). Zijn jurisprudentie is vaak de drijvende kracht achter juridische hervormingen op nationaal niveau, die op hun beurt weer van toepassing zijn op bedrijven.
  • Het Europees Sociaal Handvest (1961, herzien 1996): een verdrag van de Raad van Europa, bindend voor de lidstaten (waaronder België). Het garandeert de belangrijkste economische en sociale rechten, zoals eerlijke arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid op het werk, het recht op sociale zekerheid en bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting. Zijn toezichtsorgaan, het Europees Comité voor Sociale Rechten, beoordeelt regelmatig de naleving door de staat en haar bevindingen vormen vaak de basis voor nationale hervormingen van het arbeids- en sociaal beleid, die ook van invloed kunnen zijn op de praktijken van bedrijven.
  • Het Handvest van de grondrechten van de EU (2000): brengt burgerlijke, politieke, economische en sociale rechten samen met moderne rechten zoals milieubescherming, gegevensbescherming en consumentenbescherming. Het is wettelijk bindend voor de EU-instellingen en de lidstaten. Verordeningen en richtlijnen van de EU (zoals de AVG over gegevensbescherming) moeten voldoen aan het Handvest, wat in de praktijk directe verplichtingen schept voor bedrijven.
  • Het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (2005): een juridisch bindend verdrag dat staten verplicht mensenhandel te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders te vervolgen. Het is van toepassing op alle vormen van mensenhandel, inclusief arbeidsuitbuiting, en legt de nadruk op de rechten van slachtoffers en de zorgvuldigheid van bedrijven. De implementatie ervan kan van invloed zijn op zakelijke verplichtingen, met name in risicovolle sectoren en toeleveringsketens.
  • De Europese pijler van sociale rechten (2017): een beknopt overzicht van de 20 belangrijkste principes ter bevordering van een eerlijker en meer inclusief Europa. In deze brochure, die is opgesteld in samenwerking met EU-instellingen, worden de structuur en doelstellingen van de pijler duidelijk uiteengezet.
  • De milieuwetgeving en het milieubeleid van de EU: een breed corpus van bindende richtlijnen en verordeningen over vervuiling, biodiversiteit, klimaat en het gebruik van hulpbronnen. Deze versterken en complementeren de due diligence-verplichtingen van de CSDDD, waardoor milieubescherming een kernkwestie wordt voor bedrijven.
  • De mensenrechten- en arbeidswetgeving van de EU: een breed corpus van juridisch bindende verdragen, richtlijnen en verordeningen met betrekking tot burgerlijke vrijheden, werknemersrechten en sociale bescherming. Hieronder vallen wetten over arbeidsomstandigheden, gelijke behandeling, gezondheid en veiligheid, gegevensbescherming en toegang tot de rechter. Samen ondersteunen en versterken ze de due diligence- en duurzaamheidsagenda van de EU, waardoor respect voor de grondrechten een kernpunt wordt voor bedrijven op het gebied van compliance en governance.
  • Het antidiscriminatiekader van de EU: een uitgebreid kader van bindende richtlijnen die discriminatie op grond van ras, gender, godsdienst, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid verbieden. Deze omvatten regels voor gelijke behandeling in arbeid, beroep en toegang tot goederen en diensten. Samen maken ze non-discriminatie tot een belangrijk juridisch en reputatievraagstuk voor bedrijven.

Deze instrumenten vormen de basis van de regionale juridische omgeving waarin bedrijven opereren. Voortbouwend op deze basis heeft de EU onlangs meer specifieke en bindende verplichtingen voor bedrijven geïntroduceerd die hen verplichten om mensenrechten en het milieu te respecteren in hun eigen activiteiten en doorheen hun waardeketens. De richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD), die in 2024 werd aangenomen, is de hoeksteen van dit evoluerende wettelijke kader. Ze maakt deel uit van een breder regelgevend kader dat gericht is op het handhaven van duurzaam en verantwoord ondernemen in de EU en daarbuiten.

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Voor Belgische bedrijven betekent dit groeiende corpus van regionale standaarden en wetgeving een verschuiving van vrijwillige verbintenissen naar afdwingbare verplichtingen. Als lid van de EU en de Raad van Europa is België verplicht om deze standaarden om te zetten in nationale wetgeving, wat betekent dat bedrijven die in België actief zijn, zich eraan moeten houden. Dit juridische landschap vereist dat Belgische bedrijven niet alleen op de hoogte blijven, maar ook actief respect voor mensenrechten en het milieu integreren in hun beleid, hun praktijken en in hun waardeketens.

De richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid

De CSDDD maakt het voor grote bedrijven wettelijk verplicht om zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu (Human Rights and Environmental Due Diligence – HREDD) uit te voeren in zowel hun eigen activiteiten als in hun “activiteitenketens”. Dit omvat:

  • upstream zakenpartners – leveranciers en andere partners die betrokken zijn bij de productie van goederen of de levering van diensten door het bedrijf
  • bepaalde downstream zakenpartners – zoals degenen die verantwoordelijk zijn voor distributie, transport en opslag van het product.

Welke bedrijven vallen onder de CSDDD?

De CSDDD is van toepassing op:

  • grote EU-bedrijven met meer dan 1.000 werknemers en een wereldwijde omzet van meer dan € 450 miljoen; en
  • niet-EU-bedrijven met een omzet van meer dan € 450 miljoen binnen de EU-markt.

Effect op kmo's

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) vallen niet rechtstreeks onder de CSDDD, maar zij zullen de gevolgen indirect voelen. Grotere bedrijven zullen van hun leveranciers informatie eisen en bepaalde due diligence-maatregelen treffen om aan hun eigen verplichtingen te voldoen. Kmo's die deel willen blijven uitmaken van toeleveringsketens zullen zich aan deze verwachtingen moeten aanpassen.

Welke standaarden moeten bedrijven respecteren?

De CSDDD specificeert welke mensenrechten- en milieustandaarden bedrijven moeten respecteren.

De mensenrechten (Bijlage I, Deel I) zijn gebaseerd op de belangrijkste reeds genoemde internationale instrumenten, waaronder het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens en de IAO-verdragen. De belangrijkste verwachtingen zijn:

  • de uitbanning van kinderarbeid of dwangarbeid
  • eerlijke en passende lonen
  • veilige en gezonde leefomstandigheden

De milieustandaarden (Bijlage I, Deel II) zijn gebaseerd op belangrijke internationale milieuovereenkomsten. Bedrijven moeten in het bijzonder zorgen voor:

  • de bescherming van biodiversiteit
  • het voorkomen van aanzienlijke vervuiling
  • duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen
  • bijdrage aan het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5°C, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs

Handhaving

De CSDDD voorziet in twee belangrijke handhavingsmechanismen:

  • Toezichthoudende autoriteiten – elke lidstaat moet een toezichthouder oprichten met bevoegdheden om informatie op te vragen, bedrijven te onderzoeken, te reageren op klachten, corrigerende maatregelen te bevelen en boetes op te leggen.
  • Wettelijke aansprakelijkheid – bedrijven kunnen aansprakelijk worden gesteld als ze niet de juiste zorgvuldigheid betrachten en dit tot schade aan individuen leidt.

Het Omnibuspakket

Begin 2025 stelde de Europese Commissie een “Omnibuspakket” voor, dat de CSDDD en andere EU-regelgeving moest wijzigen met het uitgesproken doel om het concurrentievermogen van de EU te stimuleren en de welvaart op lange termijn te bevorderen.

Op 14 april 2025 heeft de Raad van de EU het eerste deel van dit pakket - de "stop de klok"-richtlijn - goedgekeurd, waardoor de toepassings- en omzettingstermijnen van de CSDDD worden uitgesteld. Lidstaten, waaronder België, moeten nu de CSDDD omzetten in nationale wetgeving tegen 26 juli 2027, een jaar later dan oorspronkelijk gepland.

Het tweede deel van het pakket - waarover nog wordt onderhandeld - zou meer inhoudelijke veranderingen met zich mee kunnen brengen, zoals: het beperken van de due diligence-verplichtingen tot hoofdzakelijk Tier 1-leveranciers (tenzij bedrijven "plausibele informatie" hebben over risico's verderop in de keten), het verlagen van de frequentie van periodieke beoordelingen, het verhogen van de drempels voor werknemers en omzet, het invoeren van "waardeketenplafonds" die de informatieverzoeken aan kmo-leveranciers zouden beperken, en zelfs het schrappen van de bepaling over wettelijke aansprakelijkheid.

De CSDDD is de hoeksteen van het duurzaamheidskader van de EU, waaromheen andere belangrijke wetgevingsstukken op elkaar zijn afgestemd en convergeren.

Nuttige bronnen:

  • Europese Commissie, richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD, 2024).
  • Europese Commissie, Omnibusvoorstel (2025).

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Voor Belgische bedrijven voert de CSDDD een wettelijke verplichting in om HREDD te implementeren. Degenen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zullen hun bestuursstructuren, beleid en processen moeten herzien en waar nodig aanpassen om naleving te garanderen. Zelfs van bedrijven die niet rechtstreeks onder de richtlijn vallen – zoals Belgische kmo's – zal steeds meer verwacht worden dat ze informatie verstrekken en verantwoordelijke praktijken aantonen om deel te kunnen blijven uitmaken van de waardeketens van grotere bedrijven. Nu België zich voorbereidt om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving, doen bedrijven die in het land actief zijn er goed aan om nu al aan deze verwachtingen te voldoen om juridische en reputatierisico's te vermijden en hun concurrentiepositie op de EU-markt te behouden.

Het bredere EU-kader

De EU is bezig met het opstellen van een uitgebreide reeks regels om de duurzaamheid van bedrijven te versterken:

  • De Conflictmineralenverordening (CMR) (2017): verplicht EU-importeurs van tin, wolfraam, tantaal en goud (3TG) uit conflictgebieden of gebieden met een hoog risico om hun toeleveringsketens te controleren en due diligence uit te voeren om te voorkomen dat met hun handel gewapende conflicten of mensenrechtenschendingen worden gefinancierd.
  • De taxonomieverordening van de EU (2020): stelt criteria vast om te bepalen of een economische activiteit "ecologisch duurzaam" is. Activiteiten moeten niet alleen bijdragen aan milieudoelen en mogen "geen schade berokkenen" aan andere milieudoelen, maar moeten ook worden uitgevoerd in overeenstemming met de OESO-richtlijnen.
  • De richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven (CSRD) (2022): vereist dat grote bedrijven rapporteren in overeenstemming met de Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportage (ESRS). Dit betekent dat ze hun feitelijke en potentiële duurzaamheidsimpact, de gerelateerde financiële risico's en kansen en hoe deze worden beheerd, openbaar moeten maken. De ESRS omvatten ook verplichte rapportage over due diligence-processen, dus bedrijven moeten laten zien hoe ze risico's voor mensenrechten en het milieu identificeren, voorkomen en aanpakken.
  • De EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten (EUDR) (2023): vereist dat bedrijven die handelen in bepaalde grondstoffen (zoals rundvlees, cacao, koffie, palmolie, rubber, soja en hout) en afgeleide producten (zoals leer, chocolade of meubels) op de EU-markt bewijzen dat deze goederen geen verband houden met ontbossing of aantasting van bossen. Bedrijven moeten hun toeleveringsketens traceren tot op het land en due diligence-verklaringen overleggen voordat ze producten op de EU-markt brengen.
  • De EU-batterijenverordening (EUBR) (2023): legt zorgvuldigheidseisen en duurzaamheidsvereisten op voor de hele levenscyclus van batterijen (van de inkoop van grondstoffen tot recycling), inclusief standaarden op het gebied van mensenrechten, milieu en circulaire economie. In juli 2025 werd de inwerkingtreding met twee jaar uitgesteld tot augustus 2028 om de industrie en externe controle-instanties meer tijd te geven om zich voor te bereiden.
  • De EU-verordening inzake dwangarbeid (EUFLR) (2024): verbiedt bedrijven producten op de markt te brengen, beschikbaar te stellen of uit te voeren die met dwangarbeid zijn gemaakt.

Nuttige bronnen:

  • Discussienota: Naar een duurzaam Europa in 2030 (2019)
  • EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024 (2020)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Verscheidene van deze instrumenten – zoals de Conflictmineralenverordening en de richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven – zijn al omgezet in Belgisch recht, wat onmiddellijke nalevingsverplichtingen creëert voor Belgische bedrijven. Andere, zoals de EU-verordening inzake ontbossingsvrije producten en de verordening inzake dwangarbeid, zijn rechtstreeks van toepassing en zullen zonder nationale omzetting worden gehandhaafd. Afhankelijk van hun grootte, sector en rol in de waardeketen kunnen bedrijven te maken krijgen met directe wettelijke verplichtingen of worden verplicht om grotere zakelijke partners te ondersteunen bij het voldoen aan hun verplichtingen. Dit betekent het versterken van interne systemen, het verbeteren van de traceerbaarheid en het voorbereiden van de manier waarop risico's voor mensenrechten en het milieu worden geïdentificeerd en aangepakt.

Nationaal kader, waaronder België

Nationale ontwikkelingen in regelgeving en verplichtingen

Op nationaal niveau heeft een toenemend aantal landen verplichte HREDD-wetten aangenomen.

Ontwikkelingen in België

België heeft zich geëngageerd om de internationale mensenrechtenverdragen die hierboven werden vermeld te respecteren, met inbegrip van de plicht om ervoor te zorgen dat deze rechten in de praktijk worden gerespecteerd, met name via binnenlandse wetten, staatsinstellingen en samenwerking met andere staten.

Voor bedrijven die in België actief zijn, worden veel van deze internationale verplichtingen al weerspiegeld in de nationale wetgeving. De Belgische grondwet garandeert een brede waaier van grondrechten en verbiedt discriminatie. Daarnaast heeft België uitgebreide wetten en regels uitgevaardigd met betrekking tot arbeidsrechten, gezondheid en veiligheid op het werk, gelijkheid en non-discriminatie, milieubescherming en consumentenrechten. Deze kaders vormen de wettelijke basis voor bedrijfsverantwoordelijkheid en -aansprakelijkheid in binnenlandse bedrijfsactiviteiten.

Belgisch Nationaal Actieplan Ondernemingen en Mensenrechten

In overeenstemming met de UNGP's keurde België in 2017 zijn eerste Nationale Actieplan (NAP) inzake Ondernemingen en Mensenrechten goed. Het NAP schetste maatregelen om verantwoordelijk zakelijk gedrag te bevorderen, de toegang tot rechtsmiddelen te verbeteren en de samenhang van het beleid tussen overheidsdepartementen te versterken. Het heeft ook geleid tot het creëren van hulpmiddelen om bedrijven en organisaties te helpen mensenrechten te begrijpen en in hun praktijken te verankeren:

  • Dit instrumentarium voor mensenrechten dat gebruiksvriendelijke hulpmiddelen biedt om bedrijven en hun belanghebbenden te ondersteunen bij het implementeren van verantwoordelijkheden op het gebied van mensenrechten;
  • Een brochure over toegang tot rechtsmiddelen in België, met een overzicht van de belangrijkste juridische en niet-juridische rechtsmiddelen die beschikbaar zijn voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen.

In 2024 publiceerde België zijn tweede Nationale Actieplan, dat zal lopen tot 2029. Dit bijgewerkte NAP bouwt voort op de lessen van het eerste NAP en legt meer nadruk op het integreren van zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten in de bedrijfspraktijk, het ondersteunen van kmo's en het afstemmen op EU- en internationale ontwikkelingen zoals de CSDDD. Het schetst ook maatregelen om de beleidscoördinatie, de samenwerking met belanghebbenden en de toegang tot rechtsmiddelen te verbeteren.

Wetgevende ontwikkelingen

België heeft ook stappen ondernomen om zijn wettelijk kader te versterken. In april 2021 werd een wetsvoorstel ingediend om een zorgvuldigheidsplicht inzake mensenrechten in te voeren voor bedrijven die actief zijn in België. Hoewel dit voorstel niet werd aangenomen – in afwachting van de afronding van de CSDDD op EU-niveau – betekende het een sterke impuls om de nationale praktijk op één lijn te brengen met de internationale standaarden en de verantwoordingsplicht van bedrijven te vergroten.

Als EU-lidstaat is België nu verplicht om de CSDDD tegen juli 2027 om te zetten in nationale wetgeving. Dit zal wettelijk bindende due diligence-verplichtingen invoeren voor Belgische bedrijven. Van bedrijven die onder de richtlijn vallen, wordt verwacht dat ze hun beleid, processen en bestuursstructuren herzien en dienovereenkomstig aanpassen. Verdere nationale richtlijnen en uitvoeringsmaatregelen worden verwacht om bedrijven te helpen in de praktijk aan hun verplichtingen te voldoen.

Nuttige bronnen:

  • De Belgische Grondwet (Officiële Engelse vertaling, 2021)
  • Belgium: Labour and Employment Laws & Regulations (ICLG, 2025)
  • Werk en mensenrechten - Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens (België)
  • Decent Work Toolbox - Belgisch ontwikkelingsagentschap
  • Ondernemingen en mensenrechten - FOD Buitenlandse Zaken (België)

Wat betekent dit voor Belgische bedrijven?

Het groeiende aantal nationale HREDD-wetten in heel Europa – inclusief in belangrijke handelspartners als Frankrijk, Duitsland en Noorwegen – weerspiegelt de toenemende verwachtingen van bedrijven om risico's voor mensenrechten en het milieu te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. Voor Belgische bedrijven met activiteiten, dochterondernemingen of zakenrelaties in deze landen kan het nodig zijn dat ze voldoen aan buitenlandse wettelijke vereisten of hun praktijken aanpassen om toegang te behouden tot markten en belangrijke zakenrelaties.

Ontwikkelingen in Europese landen

Relevante ontwikkelingen op het gebied van wetgeving in Europa zijn onder andere:

  • De Franse wet op de waakzaamheid (Loi sur le devoir de vigilance, 2017): geldt voor zeer grote Franse bedrijven (met meer dan 5.000 werknemers in Frankrijk of 10.000 wereldwijd). Het vereist van hen dat ze een "waakzaamheidsplan" implementeren en publiceren waarin ze gedetailleerd beschrijven hoe ze ernstige risico's voor mensenrechten en milieu in hun eigen activiteiten, dochterondernemingen en gevestigde toeleveringsketens identificeren, voorkomen en aanpakken. Bedrijven kunnen civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld als er schade optreedt doordat deze maatregelen niet zijn geïmplementeerd.
  • De Duitse due diligence-wet voor de toeleveringsketen (LkSG, 2021): geldt voor grote Duitse bedrijven (sinds 2024 bedrijven met meer dan 1.000 medewerkers). Ze verplicht hen om due diligence uit te voeren met betrekking tot mensenrechten en bepaalde milieurisico's in hun eigen activiteiten en die van hun directe leveranciers, en in sommige gevallen indirecte leveranciers als het bedrijf "gefundeerde kennis" van risico's heeft. De wet wordt gehandhaafd door het Federaal Bureau voor Economische Zaken en Exportcontrole (BAFA), dat aanzienlijke boetes kan opleggen en bedrijven die niet voldoen, kan uitsluiten van overheidsopdrachten. De onzekerheid over de toekomst van de LkSG neemt toe, aangezien de Duitse regering medio 2024 het idee opperde om de wet in afwachting van de invoering van de CSDDD in 2026 twee jaar op te schorten.
  • De Noorse transparantiewet (Åpenhetsloven, 2021): is van toepassing op grote en middelgrote ondernemingen (Noors of buitenlands) die goederen of diensten aanbieden in Noorwegen en die aan bepaalde drempels voldoen (meer dan twee van de volgende criteria: groter dan 50 werknemers; jaarlijkse omzet van meer dan 70 miljoen NOK; of totale activa boven 35 miljoen NOK). Dit vereist dat ze due diligence aan de dag leggen op het gebied van mensenrechten en waardig werk, een jaarverslag publiceren over hun inspanningen en reageren op openbare verzoeken om informatie.

Buiten Europa overwegen andere landen, waaronder Brazilië, Canada, Colombia, Mexico, Zuid-Korea, Thailand en Nieuw-Zeeland, soortgelijke wetten.

Nuttige bronnen:

  • Franse wet op de waakzaamheid door bedrijven (Onofficiële Engelse vertaling door de European Coalition of Corporate Justice) (2016)
  • Duitse wet inzake due diligence-verplichtingen van ondernemingen ter voorkoming van mensenrechtenschendingen in de toeleveringsketen (LkSG, officiële Engelse vertaling, 2021)
  • Noorse wet met betrekking tot de transparantie en het werk van ondernemingen op het gebied van fundamentele mensenrechten en waardige arbeidsomstandigheden (Transparantiewet, Engelse vertaling, 2021)

Landbouw

Sectoren en gebieden met een hoog risico

Landbouw is wereldwijd een van de grootste bronnen van werkgelegenheid en speelt een vitale rol in de voedselzekerheid en het levensonderhoud op het platteland. Tegelijkertijd wordt de landbouw door internationale organisaties consequent aangemerkt als een sector met verhoogde risico's voor de mensenrechten.

Landbouw
  • Wereldwijd is meer dan de helft van de kinderarbeid te vinden in de landbouwsector. Gevaarlijke kinderarbeid is wijdverspreid. Kinderen kunnen bijvoorbeeld al op zeer jonge leeftijd worden blootgesteld aan giftige pesticiden of gevaarlijke machines. De meeste - maar niet alle - kinderarbeid houdt verband met kleinschalige familieboerderijen.
  • Risico's op dwangarbeid zijn ook wijdverspreid in de landbouwsector. Dwangarbeid neemt vaak de vorm aan van schuldslavernij (werknemers die via schuldrelaties aan werkgevers gebonden zijn), maar in sommige contexten (bijv. Oezbekistan en China) wijzen rapporten ook op het bestaan van door de staat opgelegde dwangarbeid.
  • Naast de mijnbouw en de bouw noemt de IAO de landbouw als een van de sectoren met de hoogste gezondheids- en veiligheidsrisico's. Tot de belangrijkste gezondheids- en veiligheidsrisico's op het werk behoren lange werktijden, extreme weersomstandigheden, het gebruik van gevaarlijke chemicaliën en gevaarlijke apparatuur, en aandoeningen aan het bewegingsapparaat.
  • Discriminatie is ook een alomtegenwoordig probleem, waarbij kwetsbare groepen zoals migranten en vrouwen oververtegenwoordigd zijn in enkele van de gevaarlijkste en minst lonende activiteiten, zoals oogsten of verpakken.
  • Toereikende lonen zijn een ander punt van zorg, meer nog dan in andere economische sectoren. Veel werknemers verdienen minder dan een leefbaar loon, vooral in situaties met seizoensarbeid of losse arbeid. Loonuitbuiting is vooral acuut voor arbeidsmigranten. In sommige toeleveringsketens dragen de inkooppraktijken van inkopers, zoals bestellingen op het laatste moment of prijsdruk, bij aan een verdere neerwaartse druk op de inkomens en lonen van kleine boeren.
  • Deze uitdagingen worden nog groter door het feit dat landbouw en visserij tot de sectoren met de hoogste informaliteit behoren. Dit betekent dat landarbeiders vaak uitgesloten blijven van formele arbeidsbescherming, socialezekerheidsuitkeringen en formele vertegenwoordiging via bijvoorbeeld vakbonden. Familieleden van kleine boeren vormen een specifieke kwetsbare groep informele werkers, die vaak te maken hebben met financiële problemen, fysieke belasting en beperkte promotiekansen, vooral voor vrouwen en jongeren.
  • Naast de rechten van werknemers kunnen landbouwactiviteiten ook nadelige gevolgen hebben voor de leefomgeving van omliggende gemeenschappen (met inbegrip van, maar niet beperkt tot inheemse gemeenschappen), bijvoorbeeld door een verminderde beschikbaarheid van water of bodemverontreiniging door het gebruik van pesticiden.

Nuttige bronnen:

  • Sectorprofiel "Landbouw, bosbouw en visserij" van de UNEP Human Rights Toolkit
  • IAO-sectorportaal "Landbouw; plantages; andere plattelandssectoren"
  • FAO-webportaal over "degelijke werkgelegenheid op het platteland"
  • GSSB (2022). GRI 13: Agriculture Aquaculture and Fishing Sectors 2022.
  • OESO (2024). Handbook on due diligence for enabling living incomes and living wages in agriculture, garment and footwear supply chains.

Grondstoffen

Sectoren en gebieden met een hoog risico

De grondstoffensector staat centraal in de wereldeconomie en levert basisproducten voor energie en productie. Toch wordt ze ook erkend als een sector met aanzienlijke risico's voor de mensenrechten. Zowel ambachtelijke als grootschalige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor werknemers en omliggende gemeenschappen.

Grondstoffen
  • Risico's op kinderarbeid doen zich vooral voor in de artisanale en kleinschalige mijnbouw (AKM), wat verwijst naar low-tech, arbeidsintensieve mijnbouw van mineralen zoals goud, tin, tantalum, wolfraam en kobalt. Werk door kinderen kan zeer gevaarlijk zijn en blootstelling aan giftige chemicaliën met zich meebrengen.
  • Dwangarbeid kan voorkomen in de vorm van schuldslavernij en onrechtmatige werving, opnieuw meestal in AKM.
  • Risico's op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk behoren tot de hoogste van alle sectoren. De belangrijkste gevaren zijn het instorten van mijnen, blootstelling aan stof, lawaai en trillingen, tillen van zware apparatuur en blootstelling aan giftige stoffen zoals kwik en cyanide.
  • Kwetsbare groepen zoals vrouwen en migrantenwerknemers kunnen te maken krijgen met discriminatie, omdat ze geconcentreerd zijn in de laagstbetaalde en meest onzekere activiteiten (bijv. het verwerken of dragen van ertsen).
  • Inkomsten in de AKM zijn volatiel en liggen vaak onder het bestaansminimum. Onderaanneming in de grootschalige mijnbouw kan ook leiden tot loonverschillen met gecontracteerde werknemers.
  • De risico's voor arbeiders worden nog groter door het feit dat veel AKM-activiteiten informeel zijn en arbeiders zelfs geen toegang hebben tot sociale basisbescherming.
  • Gemeenschappen in de buurt van zowel ambachtelijke als grootschalige industriële mijnen kunnen belangrijke nadelige gevolgen ondervinden voor hun leefomgeving, waaronder gevolgen voor de veiligheid en gevolgen van milieurampen zoals problemen met residudammen. Mijnbouw kan ook leiden tot (gedwongen) verplaatsing van lokale gemeenschappen en tot sociale onrust, vooral in gebieden die al getroffen zijn door conflicten of onstabiele situaties.
  • Bijzonder zorgwekkend voor de mijnbouwsector zijn de aanvallen op mensenrechtenactivisten.

Nuttige bronnen:

  • Sectorprofiel "Mineralen en metaalwinning" van de UNEP Human Rights Toolkit
  • IAO-sectorportaal "Mijnbouw (steenkool; overige mijnbouw)"
  • OESO (2016). Richtlijnen voor gepaste zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens van mineralen uit door conflicten getroffen en hoogrisicogebieden van de OESO.
  • DELVE (2023). 2023 State of the Artisanal and Small-Scale Mining Sector.
  • GSSB (2023). GRI Sector Standard Project for Mining - Final Draft.
  • Max-Planck-Stichting (2016). Human Rights Risks in Mining: A Baseline Study.

Textiel

Sectoren en gebieden met een hoog risico

De textiel- en kledingsector is een hoeksteen van de wereldwijde handel en werkgelegenheid en omvat vezelproductie, stoffenverwerking, kledingproductie en detailhandel. Tegelijkertijd wordt de sector algemeen erkend als een met verhoogde risico's voor de mensenrechten.

Textiel
  • Kinderarbeid doet zich vaak upstream voor in de katoenteelt (zie hoofdstuk "Landbouw"), maar ook in informele onderaanneming en thuiswerk in de kledingproductie.
  • Dwangarbeid komt veel voor, zowel bij de productie van grondstoffen als bij de confectie van kleding. Er is met name bezorgdheid geuit over door de staat opgelegde of mogelijk gemaakte dwangarbeid in delen van de katoen-/textielketen (met name, maar niet uitsluitend, in Xinjiang, China).
  • Lonen & inkooppraktijken: de lonen in de textielsector blijven allerminst leefbaar. Deze kloven zijn in ieder geval voor een deel te wijten aan de prijsdruk van kopers.
  • Discriminatie, gendergerelateerd geweld en intimidatie zijn wijdverspreid, aangezien vrouwen een groot deel van de werknemers in de kledingindustrie uitmaken. Bovendien zijn textielhubs vaak afhankelijk van arbeidsmigranten, die een groot risico lopen op uitbuitende wervings- en tewerkstellingspraktijken.
  • Er zijn ook veel problemen met de gezondheid en veiligheid op het werk. In kleding- en textielfabrieken kunnen werknemers te maken krijgen met lange werktijden, hitte, lawaai en blootstelling aan stof (met name de blootstelling aan katoenstof is goed gedocumenteerd). Daarnaast kunnen werknemers in de textielwaardeketen worden blootgesteld aan giftige chemicaliën (zoals kleurstoffen, oplosmiddelen, harsen) die, als er niet adequaat mee wordt omgegaan, hun gezondheid kunnen schaden.
  • De risico's voor werknemers worden nog groter door het wijdverspreide informele karakter en een gebrek aan effectieve werknemersvertegenwoordiging. Toeleveringsketens voor textiel (met name kleding) hanteren vaak verborgen onderaannemingsovereenkomsten met tijdelijke contracten en thuiswerk.
  • De productie van vezels en textiel kan nadelige gevolgen hebben voor lokale gemeenschappen, bijvoorbeeld door de beschikbaarheid van schoon water te beperken (watergebruik en -vervuiling) of door het gebruik van giftige chemicaliën (bijv. pesticiden).
  • Einde levensduur: Textiel is een van de meest gestorte of verbrande consumentenproducten. Inadequaat afvalbeheer, vooral in importerende landen voor gebruikte kleding, zorgt voor milieubelasting die lokale gemeenschappen treft. Informele afvalverwerkers - vaak vrouwen en kinderen - worden geconfronteerd met onveilige omstandigheden wanneer ze textielafval verwerken zonder beschermende uitrusting.

Nuttige bronnen:

  • Sectorprofiel "Productie" van de UNEP Human Rights Toolkit
  • IAO-sectorportaal "Textiel-, kleding-, leer- en schoeiselsector"
  • OESO (2017). Richtlijnen voor gepaste zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens in de kleding- en schoenensector van de OESO.
  • GSSB (2025). GRI Sector Standard Project for Textiles and Apparel - Exposure Draft.

Bouw

Sectoren en gebieden met een hoog risico

De bouwsector is een belangrijke aanjager van economische ontwikkeling en stedelijke groei en biedt werk aan miljoenen werknemers wereldwijd. Tegelijkertijd wordt de sector algemeen erkend als een met hoge risico's voor de mensenrechten.

Bouw
  • De bouwsector is wereldwijd een van de grootste afnemers van dwangarbeid. Arbeidsmigranten lopen een bijzonder risico en worden vaak gerekruteerd via misbruikpraktijken zoals schuldslavernij, buitensporige wervingskosten of inbeslagname van paspoorten.
  • De bouw is een van de gevaarlijkste sectoren als het gaat om arbeidsongevallen en dodelijke ongevallen. Veel voorkomende risico's zijn vallen van hoogte, verwondingen door zware machines, blootstelling aan stof, chemicaliën (zoals asbest), lawaai en trillingen, en lange werkdagen in extreme weersomstandigheden.
  • De bouw werkt vaak met informele of tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Onderaannemingsketens met meerdere lagen zijn heel gangbaar, wat leidt tot een gebrek aan transparantie en verantwoordingsplicht. Informele arbeid is wijdverspreid, waardoor werknemers kwetsbaar zijn voor uitbuiting en geen toegang hebben tot sociale en wettelijke bescherming.
  • Looninhouding en vertraagde of onbetaalde lonen zijn veel gerapporteerde problemen, vooral voor migranten en werknemers in onderaanneming.
  • Binnen de EU bestaat er bezorgdheid rond sociale dumping in de bouwsector. Dit verwijst naar situaties waarbij werknemers uit lageloonlanden (of derde landen) gedetacheerd worden naar hogeloonlanden onder slechtere arbeidsvoorwaarden, vaak via complexe onderaannemingsovereenkomsten.
  • Grote bouwprojecten kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor omliggende gemeenschappen, waaronder (gedwongen of vrijwillige) verplaatsing en milieueffecten zoals stof, lawaai en watervervuiling. In sommige contexten zijn bouwprojecten ook in verband gebracht met corruptie en nadelige gevolgen voor het lokale bestuur.

Nuttige bronnen:

  • Sectorprofiel "Infrastructuur" van de UNEP Human Rights Toolkit
  • Deens Instituut voor Mensenrechten (2023). A human rights due diligence guide for the Danish construction sector.
  • HIVA-KU Leuven (2022). Posted Workers in the European Union: Facts and Figures.

Door conflicten getroffen gebieden en gebieden met een hoog risico (CAHRA's)

Sectoren en gebieden met een hoog risico

Werken in of goederen aankopen uit door conflicten getroffen gebieden en gebieden met een hoog risico (CAHRA's) brengt specifieke verantwoordelijkheden en uitdagingen met zich mee voor bedrijven. De risico's op ernstige mensenrechtenschendingen zijn in dergelijke contexten aanzienlijk groter:

Door conflicten getroffen gebieden en gebieden met een hoog risico (CAHRA's)
  • Grove schending van de mensenrechten: Bedrijven kunnen rechtstreeks of via zakenpartners betrokken raken bij ernstige schendingen zoals moorden, marteling, gedwongen verplaatsing of seksueel en gendergebaseerd geweld.
  • Financiering van conflicten: Inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen, handel of belastingen kunnen uiteindelijk gewapende groepen financieren. Dit risico is vooral acuut met betrekking tot bepaalde mineralen (bijv. goud, 3TG, kobalt), maar kan zich ook voordoen in andere sectoren.
  • Veiligheidstroepen: In conflictsituaties kunnen de openbare of particuliere veiligheidsdiensten waar bedrijven op vertrouwen zelf verantwoordelijk zijn voor schending van mensenrechten.
  • Zwak bestuur: In veel CAHRA's is de staat niet bereid of niet in staat om de mensenrechten te beschermen, waardoor bedrijven een extra verantwoordelijkheid krijgen.
  • Gevolgen voor de gemeenschap: Bedrijfsactiviteiten in conflictsituaties kunnen sociale spanningen verergeren door de ongelijkheid tussen groepen te versterken.

Gezien de acute aard van de risico's voor de mensenrechten in de CAHRA's, zijn de verwachtingen voor bedrijven die in deze regio's werken of inkopen ook hoger. De UNGP's en de richtlijnen voor gepaste zorgvuldigheid van de OESO roepen bedrijven expliciet op om "verscherpte" due diligence toe te passen wanneer ze actief zijn in CAHRA's. Dit omvat onder andere frequentere en diepgaandere risicobeoordelingen van effecten en risico's, een conflictgevoelige aanpak voor het samenwerken met belanghebbenden en verantwoorde beveiligingspraktijken.

Nuttige bronnen:

  • PRI Initiative and UN Global Compact (2010). Guidance on Business in Conflict-Affected and High-Risk Areas.
  • Ontwikkelingsprogramma van de VN (2022). Heightened Human Rights Due Diligence in Conflict-Affected Contexts.
  • ICRC (2024). Private Businesses and Armed Conflict: An Introduction to Relevant Rules of International Humanitarian Law.

Deze website is eigendom van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling.

Neem contact op voor meer informatie of feedback over de inhoud: businessandhumanrights@fido.fed.be

Met de steun van de Raad van Europa

Coördinatie: HIVA Onderzoeksinstituut voor Werk en Samenleving

Belgium official logo

Andere officiële informatie en diensten: www.belgium.be

© 2025 Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling | Developed by spontan.agency

Privacybeleid

Gebruiksvoorwaarden

Cookiebeleid

We use cookies on this site to enhance your user experience By clicking any link on this page you are giving your consent for us to set cookies.

Feedback